ECLI:NL:HR:2025:1881
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt vergoeding proceskosten rechtsbijstand in parkeerbelastingzaak
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Amsterdam, waartegen bezwaar werd gemaakt dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vaststelde op €296, zonder proceskosten in hoger beroep toe te kennen.
Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het hoger beroep gegrond en oordeelde dat belanghebbende recht had op vergoeding van proceskosten ook voor de beroepsfase, maar handhaafde de vergoeding voor de bezwaarfase ongewijzigd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de vergoeding voor de bezwaarfase hoger moest zijn.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof over de bezwaarfase en stelde de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op €647, gebaseerd op 2 punten en een wegingsfactor van 0,5. Tevens veroordeelde de Hoge Raad het College tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in cassatie. Hiermee werd de vergoeding voor de bezwaarfase verhoogd met €351 ten opzichte van de rechtbankuitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt de vergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op €647 en veroordeelt het College tot betaling van deze kosten en de proceskosten in cassatie.