ECLI:NL:HR:2025:1956
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over proceskosten en griffierecht in belastingzaken
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, tegen het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De kwestie draait om een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klacht van belanghebbende slaagt op de grond zoals vermeld in rechtsoverweging 2.3 van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2025:1823). Hierdoor kon de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan en bepaald dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten en griffierecht voor de gedingen voor zowel het Hof als de Rechtbank. De Hoge Raad heeft de vergoedingen vastgesteld op € 1.814 voor de Rechtbank en € 1.814 voor het Hof, met een extra vergoeding van € 2.041 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de cassatieprocedure.
De Hoge Raad heeft het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van de gedingen voor het Hof en de Rechtbank. Dit arrest is openbaar uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, met de waarnemend griffier aanwezig.