Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een erfgenaam zijn erfdeel kan verliezen door opzettelijke verzwijging van een deel van de nalatenschap, zoals geregeld in artikel 3:194 lid 2 BW Pro. De broer, eiser in cassatie, betwistte de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die deze verbeurdverklaring bevestigden.
De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en het procesverloop bij de lagere instanties, waaronder de rechtbank Gelderland en het hof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de Hoge Raad volgde zonder nadere motivering, omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).
De Hoge Raad veroordeelde de broer tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft de verbeurdverklaring van het erfdeel van de broer in stand, bevestigend dat opzettelijke verzwijging in het erfrecht kan leiden tot verlies van het erfdeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring van het erfdeel blijft in stand.