ECLI:NL:HR:2025:265

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
24/00848
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over verbeurdverklaring erfdeel wegens opzettelijke verzwijging

In deze zaak stond centraal of een erfgenaam zijn erfdeel kan verliezen door opzettelijke verzwijging van een deel van de nalatenschap, zoals geregeld in artikel 3:194 lid 2 BW Pro. De broer, eiser in cassatie, betwistte de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die deze verbeurdverklaring bevestigden.

De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en het procesverloop bij de lagere instanties, waaronder de rechtbank Gelderland en het hof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de Hoge Raad volgde zonder nadere motivering, omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).

De Hoge Raad veroordeelde de broer tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft de verbeurdverklaring van het erfdeel van de broer in stand, bevestigend dat opzettelijke verzwijging in het erfrecht kan leiden tot verlies van het erfdeel.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring van het erfdeel blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00848
Datum14 februari 2025
ARREST
In de zaak van
[de broer],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de broer],
advocaat: A.C. de Bakker,
tegen
[de zus],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de zus],
advocaat: M.E. Bruning.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak NL18.12055 van de rechtbank Gelderland van 8 april 2019;
b. de arresten in de zaak 200.261.168 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2020, 8 februari 2022 en 12 december 2023.
[de broer] heeft tegen de arresten van het hof van 8 februari 2022 en 12 december 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[de zus] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de broer] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de broer] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de zus] begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
14 februari 2025.