Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023 over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het arrest nietig is omdat een van de raadsheren-plaatsvervangers die het arrest heeft gewezen, op het moment van uitspraak niet beëdigd was.
Uit de stukken, waaronder de conclusie van de procureur-generaal, blijkt dat de betreffende raadsheer-plaatsvervanger bij koninklijk besluit was benoemd met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging. Omdat deze beëdiging nog niet had plaatsgevonden op het moment van het arrest, was de benoeming nog niet ingegaan.
Hierdoor is het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar slechts door twee raadsheren gewezen, wat in strijd is met artikel 5 lid 2 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad oordeelt dat dit leidt tot nietigheid van het arrest, vernietigt het en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.