ECLI:NL:HR:2025:392

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
23/04377
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 2 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens nietigheid arrest door onvoldoende benoemde raadsheer-plaatsvervanger

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023 over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het arrest nietig is omdat een van de raadsheren-plaatsvervangers die het arrest heeft gewezen, op het moment van uitspraak niet beëdigd was.

Uit de stukken, waaronder de conclusie van de procureur-generaal, blijkt dat de betreffende raadsheer-plaatsvervanger bij koninklijk besluit was benoemd met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging. Omdat deze beëdiging nog niet had plaatsgevonden op het moment van het arrest, was de benoeming nog niet ingegaan.

Hierdoor is het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar slechts door twee raadsheren gewezen, wat in strijd is met artikel 5 lid 2 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad oordeelt dat dit leidt tot nietigheid van het arrest, vernietigt het en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04377 P
Datum18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023, nummer 21-004424-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het arrest van het hof nietig is, omdat één van de personen die dit arrest heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd was, waardoor de benoeming van deze persoon tot raadsheer-plaatsvervanger nog niet was ingegaan.
2.2
Uit de stukken die zijn weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal in de zaak onder nummer 23/04238, ECLI:NL:PHR:2024:435, blijkt dat de hiervoor bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14 maart 2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op het moment van de uitspraak van het hof (op 27 oktober 2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat de betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is op grond van artikel 5 lid 2 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (vgl. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2561).
2.3
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.