ECLI:NL:HR:2025:480

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
24/01034
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:658 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid werkgever voor psychische klachten werknemer

In deze zaak vordert een werkneemster schadevergoeding van haar werkgever Samsung Electronics Air Conditioner Europe B.V. wegens psychische klachten die zij stelt door de werkgever te zijn veroorzaakt. De kern van het geschil betreft de vraag of de werkgever zijn zorgplicht heeft verzaakt en aansprakelijk is voor de geleden schade.

De procedure begon bij de rechtbank Noord-Holland, waarna het gerechtshof Amsterdam in twee arresten oordeelde over de aansprakelijkheid. De werkneemster stelde cassatieberoep in tegen het laatste arrest van het hof, terwijl Samsung voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Beide beroepen zijn verworpen.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de werkneemster onvoldoende zijn om het arrest te vernietigen. De Hoge Raad acht het niet nodig om de motivering te geven omdat het oordeel geen gevolgen heeft voor de rechtsontwikkeling of eenheid. De werkneemster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de werkneemster en bevestigt dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de psychische klachten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/01034
Datum28 maart 2025
ARREST
In de zaak van
[de werkneemster],
wonende te [woonplaats], België,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werkneemster,
advocaten: S.F. Sagel en I.L.N. Timp,
tegen
SAMSUNG ELECTRONICS AIR CONDITIONER EUROPE B.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Samsung,
advocaat: N.T. Dempsey.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 8953391/CV EXPL 21-9 van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2021 en 14 juli 2021;
b. de arresten in de zaak 200.302.903/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021 en 19 december 2023.
De werkneemster heeft tegen het arrest van 19 december 2023 van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Samsung heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de werkneemster mede door N.D. Volmer en voor Samsung mede door D. Hakhoff.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaten van de werkneemster hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [de werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Samsung begroot op € 2.897,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de werkneemster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
28 maart 2025.