Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
1 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2022, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene is toegewezen. De betrokkene voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte niet had gereageerd op zijn draagkrachtverweer en dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist was vanwege hogere loonkosten dan opgenomen in het ontnemingsrapport.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de cassatiefase is overschreden, maar dat dit geen aanleiding geeft tot een ander rechtsgevolg in deze ontnemingszaak. In de samenhangende strafzaak zal worden beoordeeld of compensatie wegens termijnoverschrijding moet plaatsvinden.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag wordt bevestigd.