ECLI:NL:HR:2025:490

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
23/03884
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 416.1.a SrArt. 6:6:5 lid 1 SvArt. 6:6:21 lid 1 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken motivering tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte is door het hof Den Haag veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand, waarvan zes weken voorwaardelijk. Het hof heeft in het arrest van 5 oktober 2023 de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte toegewezen, maar heeft deze beslissing niet gemotiveerd.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest, met name gericht op het ontbreken van een motivering bij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor zover de beslissing op de tenuitvoerleggingsvordering betreft.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof, in strijd met artikel 6:6:5 lid 1 jo Pro. 6:6:21 lid 1 Sv, de beslissing niet heeft gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor dat onderdeel en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel tenuitvoerlegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03884
Datum1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-003388-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.G. Schroeder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet is gemotiveerd.
3.2.1
De verdachte is veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand.
3.2.2
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Dat vonnis houdt daarover uitsluitend in:
“Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
3.3
Deze beslissing is, anders dan artikel 6:6:5 lid 1 in Pro samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering vereist, niet gemotiveerd. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 april 2025.