ECLI:NL:PHR:2025:197

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
23/03884
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 416 SrArt. 359 SvArt. 378 lid 2 SvArt. 423 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken motivering tenuitvoerlegging gevangenisstraf

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest. Tevens bevestigde het hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, terwijl de benadeelde partij niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering.

Het cassatieberoep betrof drie middelen. Het eerste middel klaagde over onvoldoende motivering van de strafoplegging, maar de Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering van de politierechter voldeed en het hof terecht het verweer verwierp. Het derde middel betrof het ontbreken van een opsomming van bewijsmiddelen in het arrest, maar dit werd verworpen omdat het hof verwees naar het vonnis van de politierechter en het proces-verbaal.

Het tweede middel richtte zich op het ontbreken van motivering van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. De Hoge Raad stelde vast dat het hof niet voldeed aan de motiveringsplicht zoals voorgeschreven in art. 6:6:5 lid 1 jo Pro. 6:6:21 lid 1 Sv. Dit gebrek aan motivering leidt tot vernietiging van het arrest voor zover het de tenuitvoerlegging betreft, en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling van dit onderdeel.

De overige middelen werden verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging van andere onderdelen van het arrest. De beslissing tot tenuitvoerlegging wordt dus opnieuw behandeld, waarbij het hof de motivering adequaat moet geven.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde motivering van de tenuitvoerleggingsbeslissing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/03884

Zitting18 februari 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 5 oktober 2023, door het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 in zoverre te bevestigen, de verdachte wegens 1. "diefstal" en 2. “opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. Ook heeft het gerechtshof de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevestigd en, onder vernietiging van dat onderdeel van het vonnis, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.J.G. Schroeder, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het derde middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat art. 359 lid 3 Sv Pro zou zijn geschonden omdat, zo staat in de toelichting, in het arrest geen bewijsmiddelen zouden zijn opgenomen.
2.2
Het middel miskent dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter voor wat betreft de bewijsvoering heeft bevestigd op de wijze als bedoeld in art. 423 Sv Pro. De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in 378 lid 2 Sv bevat de bewijsmiddelen, zoals is voorgeschreven door art. 1 van Pro de daarop betrekking hebbende Regeling (
Stcrt. 1996, 197).
2.3
Het middel faalt.

Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klachten dat het voorschrift van art. 359 lid 6 Sv Pro zou zijn geschonden en dat het hof onvoldoende zou hebben gerespondeerd op het ter zitting gevoerde verweer ten aanzien van de strafmaat.
3.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is hier door de raadsman het volgende aangevoerd:
“De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij verzoekt het hof, ingeval van bewezenverklaring, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel om te zetten in een taakstraf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de meldplicht van de reclassering nakomt en een gevangenisstraf (financiële) problemen zal veroorzaken.”
3.3
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd ten aanzien van de strafmaat en in dit verweer dus geen aanleiding gezien om de opgelegde straf nader te motiveren. De strafmotivering van de politierechter luidt als volgt:
“De straf is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden vande verdachte. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat maatschappelijke overlast veroorzaakt. De winkelier moet extra kosten maken voor de beveiliging van de winkel die vervolgens worden doorberekend aan de betalende klanten.
Ten aanzien van de heling wordt het verdachte aangerekend dat hij hiermee een bijdrage levert aan het in standhouden van vermogenscriminaliteit
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 oktober 2022 [
ik begrijp gelet op het proces-verbaal van de zitting en de stukken van het geding, 6 september 2023, MvW] blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hiermee wordt in het nadeel van de verdachte rekening gehouden.
Gezien het voorgaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van de gevangenisstraf die hiervoor is genoemd.
Bij de bepaling van die strafsoort en de duur daarvan is gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De verdediging heet verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Aan dit verzoek wordt niet voldaan, omdat de Reclassering Nederland in een rapport, gedateerd 19 november 2022, heeft aangegeven geen heil meer te zien in verder reclasseringstoezicht. Bij een veroordeling adviseren zij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden meer om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.”
3.4
Ik stel vast dat deze strafmotivering voldoet aan het voorschrift van art. 359 lid 6 Sv Pro. Daarnaast kan deze strafmotivering ook de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dragen. Daarbij is voor mij onder meer van belang dat in hoger beroep niet met argumenten is aangevoerd waarom de redenering van de politierechter niet (meer) zou moeten worden gevolgd en/of van (de strekking van) de aan die redenering ten grondslag gelegde rapportage van de Reclassering zou moeten worden afgeweken.
3.5
Het middel faalt.

Het tweede middel

4.
4.1
Het middel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Het bevat de klacht dat deze beslissing ontoereikend zou zijn gemotiveerd, hetgeen door de steller van het middel wordt aangemerkt als een schending van art. 359 lid 6 Sv Pro dan wel als een verzuim van het hof voldoende te reageren op het door de verdediging gevoerde verweer.
4.2
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging. Dit vonnis bevat voor zover relevant:

“10. Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
4.3
Een motivering van deze beslissing bevat het vonnis - en daarmee dus ook het arrest - niet.
4.4
De plicht tot het motiveren van het bevel tenuitvoerlegging wordt niet bestreken door art. 359 lid 6 Sv Pro. De motiveringsplicht die de steller van het middel voor ogen heeft volgt echter wel uit art. 6:6:5 lid 1 Sv Pro in verbinding met art. 6:6:21 lid 1 Sv Pro. Aan die verplichting is door het hof niet voldaan.
4.5
De vraag kan gesteld worden of het aldus begrepen middel ook tot cassatie moet leiden. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 september 2023 dat zich tussen de stukken bevindt en waarvan blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep de korte inhoud is medegedeeld, valt op te maken dat de tenuitvoerleggingsbeslissing betrekking had op de zaak met parketnummer 22-005775-19. Hieraan was een proeftijd verbonden die liep van 21 oktober 2020 tot 21 oktober 2022. De bewezenverklaarde diefstal is gepleegd op 9 augustus 2022. Dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden van die proeftijd volgt derhalve onmiskenbaar uit het arrest.
4.6
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt mij evenwel te volgen dat indien de verplichting tot motivering van het bevel tenuitvoerlegging geheel is verzaakt, in beginsel weinig ruimte bestaat om het cassatieberoep bij een gebrek aan belang te verwerpen. [1] Dat in de onderhavige zaak sprake is van een bevestiging van het vonnis van de politierechter, terwijl in hoger beroep niet expliciet over de motivering van de politierechter is geklaagd, maakt dat niet anders. [2]
4.7
Het middel slaagt.

Afronding

5.
5.1
Het tweede middel slaagt, de overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525. AG Machielse concludeerde wel tot verwerping van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang.
2.Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1129.