Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:508

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
24/01203
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 letter f Wet LB 1964Art. 31a lid 2 Wet LB 1964Art. 32bb Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over loonbegrip bij pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding

In deze zaak stond centraal of vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen, zoals extraterritoriale vergoedingen onder de 30%-regeling, moeten worden meegerekend in het loonbegrip voor de toepassing van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding op grond van artikel 32bb Wet LB 1964.

De werknemer had in 2018 en 2019 vertrekvergoedingen ontvangen na beëindiging van de dienstbetrekking met belanghebbende. De discussie betrof de berekening van het toetsloon waarop de heffing over excessieve vertrekvergoedingen wordt gebaseerd. Het hof had geoordeeld dat deze vrijgestelde vergoedingen niet tot het loon behoren.

De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel onjuist was en dat dergelijke vergoedingen wel tot het loonbegrip moeten worden gerekend. Op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal werd het beroep in cassatie gegrond verklaard, het arrest van het hof en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het beroep tegen de Inspecteur ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 4 april 2025 door de Hoge Raad, met vermelding van de betrokken raadsheren.

Uitkomst: Het beroep tegen de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01203
Datum4 april 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/01237 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/8238) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Meeboer, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 20 december 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In 2018 is de dienstbetrekking beëindigd tussen belanghebbende en een werknemer die in aanmerking kwam voor toepassing van de zogenoemde 30%-regeling in de zin van artikel 31a, lid 2, letter e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964). De werknemer heeft in 2018 en 2019 van belanghebbende vertrekvergoedingen gekregen als bedoeld in artikel 32bb van de Wet LB 1964.
2.2
Het geschil in deze procedure gaat over de berekening van de in dat artikel geregelde heffing over zogenoemde excessieve vertrekvergoedingen. De vraag is hoe in dat kader het toetsloon van de werknemer als bedoeld in artikel 32bb, lid 3, van de Wet LB 1964 moet worden berekend. Moet daarbij ook loon in aanmerking worden genomen dat bestaat uit vergoedingen of verstrekkingen die behoren tot de eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, lid 1, letter f, van de Wet LB 1964, waarover op grond van artikel 31a, lid 2, van de Wet LB 1964 geen eindheffing bij de werkgever plaatsvindt, zoals extraterritoriale vergoedingen die onder de 30%-regeling vallen?
2.3
Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zulke vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen niet tot het loon in de zin van artikel 32bb van de Wet LB 1964 behoren.
2.4
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.5
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur moet ongegrond worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.