ECLI:NL:HR:2025:508
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonbegrip bij pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding
In deze zaak stond centraal of vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen, zoals extraterritoriale vergoedingen onder de 30%-regeling, moeten worden meegerekend in het loonbegrip voor de toepassing van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding op grond van artikel 32bb Wet LB 1964.
De werknemer had in 2018 en 2019 vertrekvergoedingen ontvangen na beëindiging van de dienstbetrekking met belanghebbende. De discussie betrof de berekening van het toetsloon waarop de heffing over excessieve vertrekvergoedingen wordt gebaseerd. Het hof had geoordeeld dat deze vrijgestelde vergoedingen niet tot het loon behoren.
De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel onjuist was en dat dergelijke vergoedingen wel tot het loonbegrip moeten worden gerekend. Op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal werd het beroep in cassatie gegrond verklaard, het arrest van het hof en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het beroep tegen de Inspecteur ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 4 april 2025 door de Hoge Raad, met vermelding van de betrokken raadsheren.
Uitkomst: Het beroep tegen de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.