Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandelingszaak waarbij de verdachte werd vrijgesproken in eerste aanleg. Het hof Amsterdam heeft het beroep op noodweer afgewezen en geoordeeld dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen zonder dat het beroep op noodweer aannemelijk was.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het beroep op noodweer heeft verworpen. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de verklaring van de verdachte, dat de aangever met zijn vinger richting zijn oog bewoog, niet geloofde.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en constateert dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden gezien de opgelegde taakstraf van tachtig uren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de taakstraf van tachtig uren blijft gehandhaafd.