ECLI:NL:HR:2025:627

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
22/04613
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300.1 SrArt. 41.1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op noodweer bij mishandeling

De zaak betreft een mishandelingszaak waarbij de verdachte werd vrijgesproken in eerste aanleg. Het hof Amsterdam heeft het beroep op noodweer afgewezen en geoordeeld dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen zonder dat het beroep op noodweer aannemelijk was.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het beroep op noodweer heeft verworpen. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de verklaring van de verdachte, dat de aangever met zijn vinger richting zijn oog bewoog, niet geloofde.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en constateert dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden gezien de opgelegde taakstraf van tachtig uren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de taakstraf van tachtig uren blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04613
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2022, nummer 23-002800-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Wernik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen komen op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.