ECLI:NL:HR:2025:639

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
22/04480
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 10a.1 OpiumwetArt. 26.1 WWMArt. 440 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens verzuim beslissing beslag geheugenkaartje en termijnoverschrijding in cocaïne-invoercasus

In deze strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor medeplegen van invoer van 250 kg cocaïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen over het beslag op een geheugenkaartje dat in een Samsung-telefoon zat, ondanks dat dit geheugenkaartje niet op de beslaglijst stond vermeld. De rechtbank had in eerste aanleg al beslist tot teruggave van dit geheugenkaartje aan de verdachte, en er waren aanwijzingen dat het geheugenkaartje in beslag was genomen. Het ontbreken van het geheugenkaartje op de beslaglijst doet hier niet aan af.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak doet. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 51 naar 49 maanden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het hof heeft verzuimd te beslissen over het beslag op het geheugenkaartje en de strafoplegging, wijst de zaak terug aan het hof Den Haag voor hernieuwde beslissing over het geheugenkaartje en vermindert de straf. Het overige beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het niet beslissen over het beslag op het geheugenkaartje, vermindert de straf tot 49 maanden en wijst de zaak terug voor hernieuwde beslissing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04480
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2022, nummer 22-001807-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en voor zover het hof heeft verzuimd te beslissen over het beslag, tot vermindering van de strafoplegging aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en ten aanzien van het beslag tot een zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het geen beslissing neemt over een geheugenkaartje, omdat dit voorwerp niet op de beslaglijst staat vermeld.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 4 april 2018 houdt onder meer in:
“De raadsman mr. Bordewijk voert aan:
(...)
Ten slotte verzoek ik u het geheugenkaartje welke in de Samsung Galaxy zit terug te geven aan mijn cliënt. Er staan foto’s van het gezin op.
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mede:
(...)
Ik verzet mij niet tegen teruggave van de geheugenkaart, als die in de telefoon zit.”
2.2.2
De rechtbank heeft over het geheugenkaartje overwogen en beslist:
“De verdediging heeft verzocht om het geheugenkaartje, welke in de Samsung-telefoon zit, terug te geven aan de verdachte. Op het geheugenkaartje staan persoonlijke foto’s van de verdachte.
(...)
Ten aanzien van het geheugenkaartje in de Samsung smartphone G_389818 - welke niet apart is vermeld op de beslaglijst - zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.
(...)
11. Beslissing
De rechtbank:
(...)
- Gelast de teruggave aan verdachte van
o Geheugenkaartje in de Samsung smartphone G_389818.”
2.2.3
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal de teruggave aan de verdachte van het geheugenkaartje gevorderd.
2.2.4
De uitspraak van het hof houdt over het geheugenkaartje in:
“Voorts merkt het hof op dat geen beslissing zal worden genomen over een geheugenkaartje, nu dit voorwerp niet op de beslaglijst staat vermeld.”
2.3
Gelet op wat onder 2.2.1 tot en met 2.2.3 is weergegeven zijn er aanwijzingen dat het geheugenkaartje in beslag is genomen. Het hof had daarom een beslissing moeten nemen over dat geheugenkaartje. Dat dit geheugenkaartje niet op de beslaglijst staat vermeld, doet daaraan niet af (vgl. HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:777).
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 51 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover het hof heeft verzuimd te beslissen over het beslag op een geheugenkaartje en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 49 maanden beloopt;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de beslissing over het geheugenkaartje opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.