Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
25 april 2025.
Hoge Raad
Eiseressen, drie besloten vennootschappen, stelden ABN AMRO aansprakelijk wegens vermeende schending van de zorgplicht en betwisting van de aanvang van de verjaring in verband met renteswaps. De rechtbank Amsterdam wees eerder hun vorderingen af, een oordeel dat het gerechtshof Amsterdam bevestigde in zijn arrest van 9 januari 2024.
Eiseressen gingen in cassatie tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest te vernietigen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad veroordeelde eiseressen tevens in de proceskosten van ABN AMRO, begroot op €10.406. Hiermee is het geschil definitief beslecht en blijft de afwijzing van de vordering ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseressen wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.