ECLI:NL:HR:2025:644

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
24/01383
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad wijst cassatieberoep af in renteswapschadezaak tegen ABN AMRO

Eiseressen, drie besloten vennootschappen, stelden ABN AMRO aansprakelijk wegens vermeende schending van de zorgplicht en betwisting van de aanvang van de verjaring in verband met renteswaps. De rechtbank Amsterdam wees eerder hun vorderingen af, een oordeel dat het gerechtshof Amsterdam bevestigde in zijn arrest van 9 januari 2024.

Eiseressen gingen in cassatie tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest te vernietigen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad veroordeelde eiseressen tevens in de proceskosten van ABN AMRO, begroot op €10.406. Hiermee is het geschil definitief beslecht en blijft de afwijzing van de vordering ongewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseressen wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/01383
Datum25 april 2025
ARREST
In de zaak van
1. [Beheer] B.V.,
gevestigd te [plaats],
2. [Holding] B.V.,
gevestigd te [plaats],
3. [eiseres 3] B.V.,
gevestigd te [plaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eiseressen],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.E. Vermeulen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/670363 / HA ZA 19-850 van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2020 en 23 december 2020;
b. het arrest in de zaak 200.290.831/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 januari 2024.
[eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ABN AMRO heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor ABN AMRO toegelicht door haar advocaat en door P.B. Fritschy en T.A. van Polanen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 8.206, -- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
25 april 2025.