Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 april 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen twee erfgenamen, broer en zus, over de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van hun overleden vader, die zonder testament is overleden. De broer had de nalatenschap beneficiair aanvaard. De zus verzocht de kantonrechter om de vereffening op te heffen, stellende dat vrijwel alle schulden voldaan waren en slechts een gering bedrag resteerde. De kantonrechter wees het verzoek toe en stelde de vereffeningskosten op nihil.
Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het betoog van de broer dat het verzoek alleen gezamenlijk door beide vereffenaars kon worden gedaan. Het hof vond dat de kantonrechter terecht had bepaald dat de zus het verzoek alleen kon indienen, omdat de broer in de procedure betrokken was en de standpunten van de erfgenamen sterk verschilden.
In cassatie stelde de broer onder meer dat de kantonrechter onterecht de zus alleen had ontvangen en dat de boedelbeschrijving door beide vereffenaars gezamenlijk had moeten worden opgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de wet de kantonrechter de bevoegdheid geeft om de vereffenaars anders te laten optreden dan gezamenlijk, ook zonder een aparte procedure. De kantonrechter moet daarbij wel het beginsel van hoor en wederhoor respecteren.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de opheffing van de vereffening gerechtvaardigd is als de baten van de nalatenschap gering zijn en dat de boedelbeschrijving, ook al was die door één erfgenaam opgesteld, voldoende onderbouwd was. De klachten van de broer faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de opheffing van de vereffening ondanks het eenzijdige verzoek van één vereffenaar.