ECLI:NL:HR:2025:700

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
22/02212
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 3 Wet WOZ
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof in WOZ-zaak gemeente Midden-Groningen

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een WOZ-beschikking over het jaar 2016 ten aanzien van belanghebbende [X] B.V.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard en het arrest van het Hof vernietigd. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het arrest van de Hoge Raad in zaak nummer 22/02213 (ECLI:NL:HR:2025:619) in acht moet worden genomen.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan partijen toe te kennen. De uitspraak is gedaan door de vice-president en vier raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02212
Datum2 mei 2025
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MIDDEN-GRONINGEN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nr. 20/00885 [1] , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016.

1.Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen (hierna: het College), vertegenwoordigd door S. Walstra, advocaat te Amsterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door O.M. Menger, heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak schriftelijk toegelicht, voor het College door S. Walstra, voor belanghebbende door R.T. Wiegerink, advocaat te Den Haag. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de schriftelijke toelichting van het College.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 8 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Zowel het College als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/02213, ECLI:NL:HR:2025:619. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek met inachtneming van onderdeel 5 van het hiervoor genoemde arrest.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.