ECLI:NL:HR:2025:72

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
13 januari 2025
Zaaknummer
22/02859
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 432.1.a SvArt. 2.C OpiumwetArt. 8.5 WVW 1994Art. 7.1.b WVW 1994
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2022. Het cassatieberoep werd ingediend op 28 juli 2022, terwijl de wettelijke termijn voor het instellen van cassatieberoep, zoals bepaald in artikel 432 lid 1 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Strafvordering, veertien dagen na de einduitspraak bedraagt.

De oproeping om op de terechtzitting van het hof te verschijnen was aan de verdachte in persoon betekend, waardoor de termijn van veertien dagen strikt van toepassing is. Omdat het cassatieberoep pas na deze termijn werd ingediend, oordeelt de Hoge Raad dat het beroep niet-ontvankelijk is.

De raadsheren bevestigen hiermee het belang van de termijnen in het strafprocesrecht en wijzen het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor procespartijen om strikt de wettelijke termijnen te respecteren om ontvankelijkheid te waarborgen.

Het arrest is uitgesproken op 21 januari 2025 door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02859
Datum21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2022, nummer 22-002784-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.B. Lisi, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
In artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend (uitgereikt).
2.2
Volgens de stukken is de oproeping om op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2022 te verschijnen aan de verdachte in persoon betekend. Daarom had op grond van artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 27 juni 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 28 juli 2022. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2025.