ECLI:NL:HR:2025:726

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
24/03501
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 5:7 WvggzArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking zorgmachtiging wegens ontbreken actuele medische verklaring

In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging verzocht voor betrokkene voor twaalf maanden, aansluitend op een eerdere machtiging. De rechtbank Limburg verleende eerst een zes maanden durende zorgmachtiging met aanhouding van verdere beslissing, gevolgd door een verlenging voor de resterende zes maanden zonder actuele medische verklaring.

Betrokkene stelde cassatie in tegen deze tweede beschikking, stellende dat het ontbreken van een actuele medische verklaring van een onafhankelijk psychiater onjuist was. De Hoge Raad overwoog dat op grond van de Wvggz en het EVRM een rechter alleen een zorgmachtiging mag verlenen als uit een actuele medische verklaring blijkt dat ernstig nadeel voortvloeit uit de psychische stoornis.

De Hoge Raad stelde dat bij verlenging van een zorgmachtiging de rechter moet nagaan of de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is en zo niet, een nieuwe of geactualiseerde verklaring moet worden overgelegd. Het ontbreken hiervan maakt de beschikking onjuist. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van 21 juni 2024 en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 21 juni 2024 wegens ontbreken van een actuele medische verklaring en wijst de zaak terug.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03501
Datum9 mei 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/03/325198 / BZ RK 23/2359 van de rechtbank Limburg van 29 december 2023 en 21 juni 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 21 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op een eerdere zorgmachtiging.
2.2
Bij beschikking van 29 december 2023 [1] heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend voor zes maanden, tot en met uiterlijk 29 juni 2024, en bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 21 juni 2024, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“3.6. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. In de komende periode zal er geprobeerd worden om een passende woonplek voor betrokkene te realiseren. Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de ambulante zorgverleners toelaat.
De opvolgende zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
(…)
3.9. (…)
De rechtbank zal de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verlenen, en geldt aldus tot en met 29 juni 2024 en voor het overige aanhouden om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd. De rechtbank zal op een volgende zitting bespreken hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen.”
2.3
Nadat de mondelinge behandeling op 21 juni 2024 was voortgezet, heeft de rechtbank bij beschikking van diezelfde dag een zorgmachtiging verleend voor de resterende termijn van zes maanden, tot en met uiterlijk 29 december 2024. [2] De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“2.7. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de zorgmachtiging voor de resterende termijn nog noodzakelijk is. Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. Het risico is groot dat betrokkene zal stoppen met de medicatie indien het juridisch kader wegvalt. Ze is het immers niet eens met de toediening van de verplichte medicatie.
Betrokkene moet nog één operatie ondergaan. Indien betrokkene hiervan hersteld is, zal een passende woonplek voor haar worden gerealiseerd. Een andere woonvorm dan de huidige afdeling, zoals een beschermde woonvorm is hierbij een optie.
Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.
De zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
Het bovenstaande noodzaakte, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een actuele medische verklaring. Het doel van het aanhouden van de zorgmachtiging was met name om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
(…)”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel klaagt in de kern genomen dat de beslissing van de rechtbank in de tweede beschikking om een zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden te verlenen onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat actuele medische informatie van een onafhankelijk psychiater ontbrak. Het middel keert zich aldus tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.7 dat een actuele medische verklaring niet nodig is omdat het doel van het aanhouden met name was om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
3.2
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro en art. 6:4 Wvggz Pro, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM. [3]
3.3
Het hiervoor in 3.2 overwogene geldt eveneens indien de rechter, nadat hij eerst een zorgmachtiging heeft verleend voor een kortere duur dan verzocht met aanhouding voor het overige, beslist over de resterende duur van de verzochte machtiging.
In die situatie dient de rechter na te gaan of de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is (art. 5:8 Wvggz Pro). Is deze verklaring niet meer actueel, dan moet een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater worden overgelegd of moet de oorspronkelijke medische verklaring worden geactualiseerd.
Actualisering kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. [4]
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, slaagt de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht.
3.5
Voor zover het middel klaagt dat de vraag of een passende woonvoorziening is gerealiseerd, geen onderwerp van discussie is geweest bij de mondelinge behandeling op 21 juni 2024, faalt het op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.20.
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 21 juni 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren S.J. Schaafsma, als voorzitter, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
9 mei 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Limburg 29 december 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:7676.
2.Rechtbank Limburg 21 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4295.
3.HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.2; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, rov. 3.2.1.
4.Zie ook HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.5.