Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 mei 2025.
Hoge Raad
De verdachte, werkzaam als lichaamsgericht therapeut, werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het meermalen plegen van ontucht met een cliënte, in strijd met artikel 249, tweede lid, onderdeel 3, van het oude Wetboek van Strafrecht. Daarnaast legde het hof een bijkomende straf op, namelijk ontzetting uit het recht om het beroep als hulpverlener in de maatschappelijke zorg uit te oefenen, op grond van artikel 28, eerste lid, onderdeel 5, Sr.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij hij onder meer betwistte of het beroepsverbod in voldoende verband stond met de aan hem verweten gedragingen. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, hoefde de Hoge Raad geen nadere motivering te geven. Het beroep werd derhalve verworpen en het beroepsverbod bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het beroepsverbod blijft van kracht.