ECLI:NL:HR:2025:76

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
22/03584
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 301 lid 3 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bezit van hennepplanten ondanks termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2022, waarin hij werd veroordeeld voor het bezit van 539 hennepplanten in strijd met artikel 3.C van de Opiumwet.

De Hoge Raad beoordeelde diverse klachten over bewijsvoering, waaronder het gebruik van een proces-verbaal van expertise en verklaringen van verdachte die in hoger beroep niet volledig zijn voorgelezen. De klachten werden verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, werd echter geen ander rechtsgevolg aan de termijnoverschrijding verbonden.

Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 14 januari 2025.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor bezit van hennepplanten met geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03584
Datum14 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2022, nummer 21-002720-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2025.