Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
1 juli 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 267.757,42 wegens gewoontewitwassen. Het hof had de betalingsverplichting hoofdelijke opgelegd aan betrokkene en haar partner, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling volgens art. 36e lid 3 Sr.
De Hoge Raad oordeelt dat de toepassing van art. 36e lid 3 Sr niet toelaat om een hoofdelijke betalingsverplichting op te leggen, omdat art. 36e lid 7 Sr die mogelijkheid beperkt tot gevallen waarin het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op grond van art. 36e leden 1 en 2 Sr. Het hof heeft deze wettelijke beperking miskend.
Verder heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 267.757,42, gebaseerd op een kasopstelling die het verschil tussen contante uitgaven en legale inkomsten in de periode 2012-2017 berekent. De verdediging voerde aan dat het beginsaldo niet op nul had mogen worden gesteld, maar dit werd door de rechtbank verworpen wegens gebrek aan bewijs van contante inkomsten voorafgaand aan 2012.
De Hoge Raad volgt de conclusie van de advocaat-generaal en vernietigt het arrest van het hof, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking meer.
Het arrest is gewezen door de vice-president Van den Brink en raadsheren Buruma en Kuiper op 1 juli 2025.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.