ECLI:NL:HR:2025:961
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake onroerendezaakbelastingen 2020
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant afwees. Het geschil betrof een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof, maar vond deze onvoldoende om het arrest te vernietigen. De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven ingediende verweerschrift werd niet in aanmerking genomen, omdat het na de gestelde termijn was ingediend. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 juni 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.