Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 juni 2025.
Hoge Raad
Betrokkene was voorzien van een zorgmachtiging die tot 21 november 2024 liep. De officier van justitie verzocht om verlenging van deze machtiging voor twaalf maanden. Betrokkene verscheen niet bij de mondelinge behandeling, waarop de rechtbank besloot de zaak buiten zijn aanwezigheid voort te zetten en een zorgmachtiging voor zes maanden verleende.
In cassatie klaagde betrokkene dat niet was vastgesteld dat hij behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling, zoals vereist op grond van artikel 6:1 lid 1 Wvggz Pro. De Hoge Raad benadrukte dat de rechter moet onderzoeken of betrokkene bereid is zich te laten horen en dat dit alleen mag worden vastgesteld als betrokkene bekend is met plaats en tijdstip van de zitting.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank niet had onderzocht of betrokkene op juiste wijze was opgeroepen en ook niet had vastgesteld dat betrokkene anderszins bekend was met de zittingsdatum. Hierdoor handelde de rechtbank in strijd met artikel 6:1 lid 1 Wvggz Pro. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende vaststelling van behoorlijke oproeping en wijst de zaak terug.