Uitspraak
1.De beschikking van de rechtbank
2.Het cassatieberoep
3.Het procesverloop en de beschikking van de rechtbank
4.Juridisch kader
5.Beoordeling van het cassatiemiddel
6.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en indienen van een verzoekschrift tegen de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij een vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank Rotterdam kende een vergoeding van €280 toe, stellende dat er gronden van billijkheid waren en dat artikel 530 Sv Pro van toepassing was.
De advocaat-generaal stelde cassatie in het belang der wet in, stellende dat de rechtbank onjuist had geoordeeld. De Hoge Raad overwoog dat de situatie niet valt onder de gevallen waarin artikel 530 lid 2 Sv Pro toepassing vindt, zoals bij sepot of niet-veroordelende einduitspraak. De procedure over vervangende hechtenis is niet opgenomen in de specifieke regeling voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en valt niet onder de bijzondere procedures waarvoor artikel 529 lid 5 en Pro 530 lid 4 Sv een regeling bieden.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet aan de rechter is om deze regeling uit te breiden naar de procedure in deze zaak en dat dit aan de wetgever is. Daarom is het oordeel van de rechtbank dat vergoeding op grond van artikel 530 Sv Pro kan worden toegekend onjuist. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover de vergoeding van €280 is toegekend.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van wettelijke bepalingen omtrent vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en benadrukt dat uitbreiding van deze regelingen aan de wetgever toekomt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand is toegekend bij afwijzing van de vordering tot vervangende hechtenis.