ECLI:NL:HR:2026:1031
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt matiging immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning en kreeg gelijk in de Rechtbank Noord-Holland, die vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding van €500 toekende. Het Hof Amsterdam matigde deze vergoeding tot €50, omdat het financiële belang gering was (€132) en de zaak eenvoudig en standaard van aard.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte is afgeweken van het vaste tarief van €500 per half jaar overschrijding zonder dat sprake was van een bijzonder geval. De Hoge Raad benadrukt dat de mate van ervaren spanning en frustratie in beginsel niet relevant is voor de hoogte van de vergoeding, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de matiging betreft en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het dagelijks bestuur van Cocensus in de proceskosten van het cassatieberoep en de heffingsambtenaar in de kosten van het incidentele hoger beroep. De zaak betreft een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de matiging van de immateriële schadevergoeding en bevestigt de toekenning van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.