ECLI:NL:HR:2026:106
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep inzake studiefinanciering
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 oktober 2025. De Centrale Raad van Beroep had eerder een uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende tegen een beslissing van de Rechtbank Overijssel, die betrekking had op een besluit ingevolge de Wet studiefinanciering 2000. De Hoge Raad heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat er geen wettelijke bepaling is die het mogelijk maakt om in cassatie te gaan tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in deze specifieke situatie. Hierdoor heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Het arrest is openbaar uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, met de waarnemend griffier aanwezig.