ECLI:NL:HR:2026:1183

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/00879
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140a SrArt. 140 SrArt. 83 SrArt. 83a SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken deelneming aan terroristische organisatie ondanks verblijf in IS-gebied

De verdachte werd ervan verdacht deel te nemen aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) door samen met haar echtgenoot in het door IS gecontroleerde gebied in Syrië te wonen. Het Openbaar Ministerie stelde dat zij door het voeren van een gemeenschappelijk huishouden en het zorgen voor man en kinderen het collectief getalsmatig versterkte en daarmee deelnam aan de organisatie.

Het hof oordeelde echter dat het verrichten van huishoudelijk werk te ver verwijderd was van het verwezenlijken van het terroristische oogmerk van IS en dat dit niet volstond voor deelneming als bedoeld in artikel 140a Sr. Het hof stelde dat het uitsluitend getalsmatig versterken van de organisatie niet voldoende is zonder een concreet aandeel in of ondersteuning van gedragingen die het oogmerk van de organisatie bevorderen.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad benadrukte dat deelneming aan een terroristische organisatie vereist dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in of ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot het verwezenlijken van het terroristische oogmerk. Het verrichten van huishoudelijk werk voldoet hier niet aan. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken omdat het verrichten van huishoudelijk werk in IS-gebied niet kwalificeert als deelneming aan een terroristische organisatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00879
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 maart 2025, nummer 22-002424-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, B. Kizilocak, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Het klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de vastgestelde gedragingen geen ‘deelneming’ aan een terroristische organisatie opleveren, als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. Het heeft daartoe onder meer overwogen:
“Feit 1: deelname terroristische organisatie
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS/ISIS/ISIL, althans organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte het medeplegen van deelname aan IS/ISIS wordt verweten.
Juridisch kader artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht
Deelneming aan – kort gezegd – een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.
Terroristische organisatie
Volgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie – een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling – moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr Pro, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.
Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Deelneming
Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. De deelneming moet voor de betrokkene steeds op zichzelf worden beoordeeld.
Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Of daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.
Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.
IS/ISIS/ISIL
Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS/ISIS/ISIL (hierna in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.
Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig het schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan een organisatie met een terroristisch oogmerk in de periode van 1 september 2014 tot 13 maart 2018.
Daartoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft zich vanuit een jihadistische/extremistische ideologie in het kalifaat gevestigd en heeft zich aldaar onder het gezag van het IS-bewind en de daaraan verbonden regels van de sharia gesteld. Zij heeft zich ingelaten met een terroristische organisatie en heeft het collectief getalsmatig versterkt. Zij heeft een gemeenschappelijke huishouding gevoerd met een lid van een terroristische organisatie en heeft gebruikt gemaakt van een woning die door IS ter beschikking is gesteld. Ten slotte heeft zij loon of toelagen ontvangen van IS.
Het Openbaar Ministerie concludeert tevens dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met haar man [betrokkene 1] , die lid was van IS, en dat de verdachte het benodigde opzet had, zij was zich bewust van het terroristische oogmerk van IS.
Het Openbaar Ministerie stelt uitdrukkelijk dat elke bijdrage ter verwezenlijking van het oogmerk van IS – waaronder het zorgen voor man, kind en huishouden – gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS.
IS waardeerde volgens deskundigen immers elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, als wezenlijk. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband verzocht het rapport van dr. Jolen over de positie van de vrouw bij IS, alsook de verklaringen van deskundigen [naam 2] en [naam 3] , die het standpunt van dr. Jolen onderschrijven, bij dit oordeel te betrekken.
Ook de wetgever heeft beoogd elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen, aldus het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader verzocht bij de beoordeling van het voorgaande het volgende uit de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr te betrekken:
“Voor de verwezenlijking van hun doelen zijn terroristische organisaties afhankelijk van deelnemers. Deelnemers aan terroristische organisaties leveren een onmisbare – en onmiskenbare – bijdrage aan de misdadige doelen van die organisatie. Dat doen zij bijvoorbeeld door het plegen of ondersteunen van aanslagen en andere ernstige misdrijven in naam van deze organisaties. Maar ook alleen al door zich in te laten met een terroristische organisatie versterken deelnemers het collectief getalsmatig, waarmee zij tevens de aantrekkingskracht van die organisatie op anderen doen toenemen. (...) Door zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie versterken de deelnemers deze organisatie ook getalsmatig. Daarmee wint die organisatie aan kracht en wordt deze (nog) bedreigender.”
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet tot IS behoorde en dat evenmin gebleken is dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning zou hebben geboden aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de IS. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouding an sich is onvoldoende om de verdachte als deelnemer van IS aan te kunnen merken.
Oordeel van het hof
Feiten
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is in september 2014 tezamen met haar echtgenoot vanuit Turkije naar Syrië vertrokken en heeft daar gewoond in een dorp in de provincie Deir ez-Zor. Dat gebied was toen in handen van de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Zij hebben daar tot ongeveer 1 december 2017 gewoond, in welke periode zij twee kinderen kregen, en leefden van het geld dat zij uit Turkije hadden meegenomen. Toen de bombardementen dichterbij kwamen zijn zij gevlucht. Zij zijn onderweg naar Turkije opgepakt en vervolgens gedetineerd. De verdachte heeft met haar kinderen daarna vastgezeten in onder meer kamp [...] en is op 2 november 2022 aangehouden op Vliegbasis Eindhoven. Van haar echtgenoot is niet meer vernomen.
Voor haar vertrek naar Syrië wist de verdachte dat daar een burgeroorlog gaande was. Verdachtes echtgenoot wilde naar de Islamitische Staat in Syrië verhuizen om zijn geloof te praktiseren. De verdachte is hem in zijn voornemen gevolgd. Gedurende het verblijf van de verdachte in Deir ez-Zor heeft zij hoofdzakelijk huishoudelijke taken verricht. Zij heeft verder niet gewerkt in Syrië. Haar man hielp in het huishouden en was daarnaast werkzaam als verkeerscontroleur op straat. Volgens de verdachte kan het zijn dat dat voor IS was.
Niet kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte en haar echtgenoot verbleven in een huis dat door IS ter beschikking was gesteld. Alleen de broer van de verdachte heeft als getuige in 2018 bij de politie verklaard dat het huis waarin verdachte en haar echtgenoot verbleven en de auto waarin zij reden, waren achtergelaten door mensen die waren gevlucht. Over die verklaring heeft deze getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij toen verdovende middelen gebruikte en onder invloed kan zijn geweest. Hij weet niet of wat hij bij de politie heeft verklaard klopt. Hij heeft de verdachte nooit gesproken toen zij in Syrië woonde en haar echtgenoot één keer, maar toen hebben zij het over niets gehad. Zij hebben elkaar geen berichten gestuurd. Hij verklaarde verder bij de raadsheer-commissaris dat hij niets wist over het dagelijks leven van de verdachte noch over waar zij heeft gewoond in Syrië. Evenmin wist deze getuige hoe buitenlanders in IS gebied aan huizen of vervoermiddelen kwamen. Het hof acht de bij de politie afgelegde verklaringen van deze getuige onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen. Het hof kan daardoor niet vaststellen dat de verdachte in Syrië in het huis woonde of in de auto reed van iemand die was gevlucht.
Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte zich in het kalifaat heeft gevestigd vanuit een jihadistische/extremistische ideologie. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat de verdachte loon of een toelage van IS heeft ontvangen, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd.
Behoren tot de organisatie
Als eerste vereiste voor het deelnemen als bedoeld in artikel 140a lid 1 Sr geldt, zoals hiervoor aangegeven, dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband van de organisatie. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat daarvan sprake is geweest, dan volgt reeds daaruit dat de verdachte de organisatie getalsmatig heeft versterkt. Daarmee is echter op zichzelf nog niet gegeven dat zij aan de organisatie heeft deelgenomen in de zin van artikel 140a lid 1 Sr. Daarvoor geldt immers nog een ander vereiste. Het hof overweegt daarover het volgende.
Deelnemingsgedraging
Als tweede vereiste geldt dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande in art. 140a lid 1 Sr bedoelde oogmerk. Elke bijdrage of ondersteuning aan een organisatie kan strafbare deelneming aan die organisatie opleveren. Welke deelnemingsgedragingen aan dit criterium voldoen is in zijn algemeenheid niet te zeggen.
Niet iedere bijdrage van een persoon, behorende tot het samenwerkingsverband van de organisatie, leidt aldus tot deelneming in de zin van die bepaling. Er dient een aantoonbare relatie te bestaan tussen de deelnemingsgedraging en het oogmerk van de organisatie. Verder wordt de deelneming voor de verdachte op zichzelf beoordeeld. Of bijvoorbeeld haar echtgenoot een belangrijker rol vervulde dan de verdachte is niet van belang.
In de literatuur over artikel 140 Sr Pro benadrukt De Vries-Leemans dat het ‘ondersteunen van’ méér impliceert dan alleen de zogenaamde ‘moral support’, het ermee instemmen dat strafbare feiten worden gepleegd. De deelnemer dient activiteiten te ontplooien, gericht op de verwezenlijking van het misdadig oogmerk. De deelnemingsgedragingen kunnen zich zeer ver in het voorveld van de te plegen misdrijven afspelen. Hoe verder evenwel een gedraging verwijderd is van de uiteindelijke verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, hoe meer zich de vraag opdringt of die gedraging voor de organisatie van zo wezenlijke betekenis is dat nog van strafbare deelneming aan die organisatie kan worden gesproken. Buruma stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van het plegen van enigszins concrete feiten. Hij schrijft: “Je moet iets gedaan hebben dat als het ware vooruit wees naar het delict. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat niet reeds met het aanwezig zijn in fout gezelschap, zelfs als men dezelfde opvattingen erop nahoudt als de leden van de foute groep.” In de conclusie vóór HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448 stelde de advocaat-generaal: “de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen [blijven] buiten schot.” Volgens Lintz blijft het schoonmaken en koffiezetten in een bedrijfspand van een autobedrijf dat tot oogmerk heeft zijn klanten op te lichten buiten het bereik van art. 140 Sr Pro.
Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat – hoewel ook minder actieve gedragingen onder deelneming kunnen worden gebracht – niet ieder mogelijk verband tussen de activiteiten van een deelnemer aan de organisatie en het oogmerk volstaat om te kunnen spreken van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
In HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161 (Hofstadgroep) stond vast dat de verdachte:
- meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien zijn;
- geschriften heeft verzameld en documenten van internet heeft gedownload met betrekking tot de gewelddadige jihad;
- aan elektronisch berichtenverkeer heeft deelgenomen waarin die gewelddadige jihad wordt gepropageerd; en ook
- beeldmateriaal en vlaggen heeft verzameld die met de gewelddadige jihad in verband te brengen zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat uit deze gedragingen van de verdachte niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in gedragingen, of deze heeft ondersteund, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft “deelgenomen” in de hiervoor bedoelde betekenis. Dat aan het bewijs van het delictsbestanddeel “deelneming” hogere eisen worden gesteld volgt ook uit HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:400, waarin niet meer was vastgesteld dan dat de verdachte als (voormalig) leidinggevende of baliemedewerker betrokken is geweest bij een coffeeshop en dat hij in familierelatie staat tot medeverdachten van de handel in hennep en hasjiesj.
Over het begrip “ondersteunen van” schreef N. Keijzer in zijn noot bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5178, NJ 2012/658 (Hofstadgroep): “evenals van strafbare medeplichtigheid slechts sprake kan zijn indien het desbetreffende misdrijf is bevorderd, veronderstelt mijns inziens de term “ondersteunt”, dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot.” Volgens De Hullu strekken de zware strafbedreigingen van art. 140 en Pro 140a Sr zich dan niet tevens uit tot onschadelijke activiteiten.
Voor zover het standpunt van het Openbaar Ministerie aldus moet worden begrepen, dat de aangehaalde passage in de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr dwingt tot een andere uitleg van het begrip deelneming dan hiervoor is weergegeven, waarbij reeds het behoren tot het samenwerkingsverband – waarmee deze getalsmatig wordt versterkt – voldoende is, zonder dat daarnaast sprake hoeft te zijn van een deelnemingsgedraging in vorenbedoelde zin, volgt het hof het OM daarin niet.
Verder overweegt het hof dat de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van deelneming in de zin van artikel 140a Sr, is voorbehouden aan de rechter en dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt – zoals uit het rapport van dr. Jolen naar voren komt – is daarvoor niet zonder meer bepalend.
De onderhavige zaak
In de onderhavige zaak heeft – zoals hiervoor reeds is vastgesteld – de in IS gebied woonachtige verdachte zorggedragen voor de huishouding, die zij deelde met haar man die daar – mogelijk voor IS – verkeerscontroleur was.
Mede gelet op de omstandigheden die onvoldoende waren voor een bewezenverklaring in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2012, is het hof van oordeel dat de gedraging van de verdachte – het verrichten van huishoudelijk werk – niet kwalificeert als gedraging die bijdraagt aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Dit huishoudelijk werk is verder verwijderd van de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS dan het deelnemen aan berichtenverkeer van de Hofstadgroep, waarin de gewelddadige Jihad werd gepropageerd, van het oogmerk van die organisatie.
Anders dan het Openbaar Ministerie aanvoert miskent het hof daarmee niet dat ook min of meer onschuldige hand- en spandiensten een strafbare deelneming kunnen opleveren. Evenmin miskent het hof de stelling dat IS elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, waardeerde als wezenlijk – ook het verrichten van huishoudelijk werk. Het verrichten van huishoudelijk werk door de verdachte voldoet echter niet aan het criterium “het hebben van een aandeel in of bieden van ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk” omdat deze gedraging te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS.
Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht en dat zij van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.”
2.3.1
Artikel 140a lid 1 Sr luidt:
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.3.2
Voor ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en Pro 140a Sr is vereist dat (i) de betrokkene behoort tot een samenwerkingsverband, (ii) waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk, en (iii) de betrokkene een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt.
Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen die onder (ii) bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval.
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte is in september 2014 samen met haar echtgenoot vanuit Turkije naar Syrië vertrokken, terwijl zij wist dat daar een burgeroorlog gaande was. De echtgenoot van de verdachte wilde naar Syrië verhuizen om daar zijn geloof te praktiseren. De verdachte is hem in zijn voornemen gevolgd. De verdachte en haar echtgenoot woonden tot ongeveer 1 december 2017 in een gebied dat in handen was van de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Zij hebben in deze periode in Syrië twee kinderen gekregen en leefden van het geld dat zij uit Turkije hadden meegenomen. De verdachte heeft tijdens hun verblijf in Syrië samen met haar man zorggedragen voor het huishouden en geen ander werk verricht. Haar man heeft daarnaast gewerkt als verkeerscontroleur “mogelijk voor IS”.
2.4.2
Het hof heeft niet bewezenverklaard dat de verdachte heeft ‘deelgenomen’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr en heeft de verdachte van feit 1 vrijgesproken. Daaraan heeft het hof als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het onder deze omstandigheden verrichten van huishoudelijk werk niet voldoet aan het criterium van het hebben van een aandeel in of bieden van ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS, omdat het handelen van de verdachte “te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS”. Het hof heeft daarbij overwogen dat het uitsluitend getalsmatig versterken van het samenwerkingsverband, niet betekent dat sprake is van het hebben van een aandeel of het bieden van ondersteuning, zoals hiervoor genoemd.
2.4.3
Gelet op wat onder 2.3.2 is overwogen geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook toereikend gemotiveerd.
2.5
De klacht faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.