ECLI:NL:HR:2020:448

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
18/02493
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131.1 SrArt. 131.2 SrArt. 132.1 SrArt. 132.3 SrArt. 9 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding in zaak opruiing en terrorisme

De zaak betreft een criminele en terroristische organisatie die zich bezighield met opruiing tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, het werven van Syriëgangers, financieren van terrorisme en het bevorderen van levensdelicten door jihadstrijders in Syrië. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opruiing tot terroristisch misdrijf en medeplegen van verspreiding van opruiend materiaal.

In cassatie stelde de verdachte onder meer dat de vrijheid van godsdienst en meningsuiting (art. 9 en Pro 10 EVRM) de strafbaarheid in de weg stonden. Dit verweer werd verworpen op basis van eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2020:447). Tevens klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel over de termijnoverschrijding gegrond was en besloot de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar en drie maanden te verminderen tot vijf jaar en één maand. De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 24 maart 2020, waarbij de strafvermindering het enige wijzigingspunt was ten opzichte van het hofarrest.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaren en één maand wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02493
Datum24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nummer 22/005851-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Sytema, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het vierde middel

2.1
Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in de art. 9 en Pro 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de weg staan aan de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 18/02561 (ECLI:NL:HR:2020:447), rov. 4.4 en 4.5 kan het middel niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het vijfde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en drie maanden.

4.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en een maand beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.