ECLI:NL:HR:2026:1220

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24/02800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid inzet lokportemonnee bij diefstal

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de inzet van een lokportemonnee door de politie rechtmatig was en of de verdachte daardoor tot andere handelingen dan zijn oorspronkelijke opzet was gericht, was gebracht. De verdachte werd ervan verdacht samen met een mededader een portemonnee met inhoud, die aan de politie toebehoorde, te hebben weggenomen.

Het hof had geoordeeld dat de wijze waarop de lokportemonnee was ingezet niet onrechtmatig was en dat het Tallon-criterium niet was geschonden. Dit criterium vereist dat een verdachte door het inzetten van een lokmiddel niet tot andere handelingen wordt gebracht dan waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Het hof stelde vast dat de portemonnee zichtbaar geld bevatte, maar dat dit niet afweek van het normale straatbeeld en dat de verdachte en mededader al werden verdacht van het plegen van vermogensdelicten.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig en de verdachte was niet tot andere handelingen gebracht dan zijn oorspronkelijke opzet. Het beroep faalde daarmee en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02800
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2024, nummer 21-000963-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J. Lamers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte door de inzet van een lokportemonnee is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet tevoren al was gericht.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 19 februari 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee (met inhoud), die aan politie (Landelijke Eenheid) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
2.2.2
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de politie een lokmiddel op onrechtmatige wijze heeft ingezet. De lokkoffer met de loktas met in een zijvak van die tas een uitstekende lokportemonnee is op zo’n manier geplaatst dat er zichtbaar geld uit de portemonnee stak. Hierdoor paste het lokmiddel niet in het normale straatbeeld. Daarmee is het Tallon-criterium geschonden en is verdachte gebracht tot ander handelen dan waarop zijn opzet was gericht.
(...)
Het hof stelt op basis van de beelden vast dat een koffer is geplaatst met daarop een tas en in een zijvak van die tas – duidelijk zichtbaar – een portemonnee. Deze wijze van het inzetten van een lokportemonnee gebeurt vaker en is rechtmatig. Verder is op de beelden te zien dat aan de bovenkant van de portemonnee een witte rand te zien is. Er steekt dus iets uit de portemonnee. Dat uit de portemonnee iets uitsteekt (geld), is niet zo ongebruikelijk dat het niet past in het normale straatbeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat een meegedragen portemonnee kostbare zaken bevat, zoals contant geld, bankpassen en identiteitsbewijzen, ongeacht of deze zaken nou wel of niet van buitenaf zichtbaar zijn. Het hof is van oordeel dat verdachte niet is verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet van tevoren daar niet van tevoren al op was gericht. Daarbij is ook van belang dat verbalisanten het lokmiddel pas hebben ingezet nadat was waargenomen dat [medeverdachte] uit een prullenbak door anderen weggegooide kassabonnen pakte en daarmee de Albert Heijn inliep in gezelschap van verdachte, en de verbalisanten er op grond van deze waarneming van uitgingen dat verdachte en [medeverdachte] kennelijk vermogensdelicten wilden plegen. Het Tallon-criterium is aldus niet geschonden. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig.”
2.3
Voor de rechtmatige inzet van een voorwerp zoals een lokportemonnee om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, is onder meer vereist dat de verdachte door de inzet van het voorwerp niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62). Daarbij is van belang dat de mogelijkheid dat dit voorwerp de verdachte op het idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op de diefstal van zo’n voorwerp (vgl. HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149).
2.4
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat door de verbalisanten, nadat zij de verdachte en de mededader bij een supermarkt hadden waargenomen en door hen was geconstateerd dat de verdachte en de mededader mogelijk vermogensdelicten wilden begaan, een koffer is geplaatst met daarop een tas en in een zijvak van die tas duidelijk zichtbaar een portemonnee waaruit iets (geld) stak. Die portemonnee (met inhoud) is vervolgens weggenomen door de verdachte en de mededader. Het hof heeft geoordeeld, kort gezegd, dat met het onder deze omstandigheden en op deze manier inzetten van een lokportemonnee de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor onder 2.3 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.