Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de inzet van een lokportemonnee door de politie rechtmatig was en of de verdachte daardoor tot andere handelingen dan zijn oorspronkelijke opzet was gericht, was gebracht. De verdachte werd ervan verdacht samen met een mededader een portemonnee met inhoud, die aan de politie toebehoorde, te hebben weggenomen.
Het hof had geoordeeld dat de wijze waarop de lokportemonnee was ingezet niet onrechtmatig was en dat het Tallon-criterium niet was geschonden. Dit criterium vereist dat een verdachte door het inzetten van een lokmiddel niet tot andere handelingen wordt gebracht dan waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Het hof stelde vast dat de portemonnee zichtbaar geld bevatte, maar dat dit niet afweek van het normale straatbeeld en dat de verdachte en mededader al werden verdacht van het plegen van vermogensdelicten.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig en de verdachte was niet tot andere handelingen gebracht dan zijn oorspronkelijke opzet. Het beroep faalde daarmee en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.