ECLI:NL:HR:2026:1242
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onderscheid in fiscale behandeling verbeurdverklaring en voordeelontneming
Belanghebbende was veroordeeld voor Opiumwetdelicten, wapenbezit en witwassen, waarbij een auto en contanten verbeurd werden verklaard. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarbij deze verbeurdverklaarde goederen werden betrokken in een vermogensvergelijking.
Het geschil betrof de vraag of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro werd geschonden doordat de Wet IB 2001 geen aftrek van kosten toestaat voor verbeurdverklaarde goederen, terwijl dat wel het geval is bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof oordeelde dat dit onderscheid niet evident onredelijk is.
In cassatie stelde belanghebbende dat er geen redelijke rechtvaardiging is voor dit fiscale onderscheid. De Hoge Raad verwierp dit omdat de verbeurdverklaring niet was opgelegd op grond van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar omdat de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot de goederen waren begaan.
De overige klachten werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het fiscale onderscheid tussen verbeurdverklaring en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.