In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen waren met elkaar gehuwd. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypotheek. Aan de door partijen gesloten hypothecaire geldlening is een levensverzekering gekoppeld.
(ii) In de bodemprocedure heeft de rechtbank bij beschikking van 24 maart 2020onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de wijze van verdeling van het (huwelijks)vermogen vastgesteld. In deze beschikking is het volgende overwogen over de verdeling van de woning, de hypothecaire geldlening en de levensverzekering:
“Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning (…) moet worden toegedeeld aan de man. De vrouw stelt onder verwijzing naar de taxatie van Buddies Real Estate Rotterdam (…) dat de waarde van de woning minimaal € 950.000,- bedraagt. Met de man constateert de rechtbank echter dat het taxatierapport van Buddies een concept is en dat de taxatie is uitgevoerd met als doel “het vaststellen van de marktwaarde ten behoeve van het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering”. De man verwijst naar de brief van een makelaar gericht aan de advocaat van de vrouw (…) waarin deze makelaar vermeldt dat de opbrengst van de woning naar verwachting zal uitkomen op een bedrag tussen de € 880.000,- en de € 930.000,-. Desalniettemin is de man bereid uit te gaan van een waarde van € 940.000,-. Gelet op deze door partijen aangedragen gegevens stelt de rechtbank de waarde van de woning vast op € 940.000,-.
Partijen zijn het erover eens dat de man de hypothecaire schuld bij de ABN AMRO van € 940.000,- voor zijn rekening neemt. Dit betekent dat er geen sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde zodat er geen verrekenpost ontstaat. De man spant zich in er voor te zorgen dat de bank de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De rechtbank acht het redelijk om aan de overname van de woning door de man een termijn te verbinden zoals door de vrouw verzocht en wel van drie maanden. Als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid, binnen drie maanden na de datum van deze beschikking te realiseren, moet de woning worden verkocht. (…)
Partijen zijn het eens dat de levensverzekering bij de ASR die is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,- en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Indien de woning moet worden verkocht, moet op de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.
De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.”
(iii) De man is in hoger beroep gegaan van de hiervoor onder (ii) genoemde beschikking in de bodemprocedure, waarna de vrouw incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
(iv) De vrouw heeft vervolgens in twee kortgedingprocedures vorderingen ingesteld strekkende tot verkoop en levering van de woning aan een derde. In beide procedures zijn de vorderingen van de vrouw afgewezen.