ECLI:NL:HR:2026:127

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/00474
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van de echtelijke woning na echtscheiding en de geldigheid van de overeenkomst tussen partijen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de verdeling van de voormalige echtelijke woning na echtscheiding. De vrouw, eiseres tot cassatie, had beroep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de vordering van de man, verweerder in cassatie, om medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan hem, was toegewezen. De vrouw en de man waren gehuwd geweest en gezamenlijk eigenaar van de woning, die onder een hypothecaire lening viel. De rechtbank had eerder bepaald dat de woning aan de man zou worden toegedeeld, mits hij de hypothecaire schuld zou overnemen en de vrouw zou vrijwaren van aansprakelijkheid. De vrouw had in kort geding vorderingen ingesteld tot verkoop van de woning, maar deze waren afgewezen. Het hof oordeelde dat de man een spoedeisend belang had bij de toedeling van de woning, en dat er tussen partijen overeenstemming bestond over de waarde van de woning en de overname van de hypothecaire lening. De Hoge Raad heeft het beroep van de vrouw verworpen, oordelend dat het hof terecht had geoordeeld dat de vrouw gehouden was mee te werken aan de uitvoering van de overeenkomst. De kosten van het geding in cassatie werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten droeg.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00474
Datum30 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/649087 / KG ZA 22-1026 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.322.676/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2023.
De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen waren met elkaar gehuwd. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypotheek. Aan de door partijen gesloten hypothecaire geldlening is een levensverzekering gekoppeld.
(ii) In de bodemprocedure heeft de rechtbank bij beschikking van 24 maart 2020 [1] onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de wijze van verdeling van het (huwelijks)vermogen vastgesteld. In deze beschikking is het volgende overwogen over de verdeling van de woning, de hypothecaire geldlening en de levensverzekering:
“Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning (…) moet worden toegedeeld aan de man. De vrouw stelt onder verwijzing naar de taxatie van Buddies Real Estate Rotterdam (…) dat de waarde van de woning minimaal € 950.000,- bedraagt. Met de man constateert de rechtbank echter dat het taxatierapport van Buddies een concept is en dat de taxatie is uitgevoerd met als doel “het vaststellen van de marktwaarde ten behoeve van het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering”. De man verwijst naar de brief van een makelaar gericht aan de advocaat van de vrouw (…) waarin deze makelaar vermeldt dat de opbrengst van de woning naar verwachting zal uitkomen op een bedrag tussen de € 880.000,- en de € 930.000,-. Desalniettemin is de man bereid uit te gaan van een waarde van € 940.000,-. Gelet op deze door partijen aangedragen gegevens stelt de rechtbank de waarde van de woning vast op € 940.000,-.
Partijen zijn het erover eens dat de man de hypothecaire schuld bij de ABN AMRO van € 940.000,- voor zijn rekening neemt. Dit betekent dat er geen sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde zodat er geen verrekenpost ontstaat. De man spant zich in er voor te zorgen dat de bank de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De rechtbank acht het redelijk om aan de overname van de woning door de man een termijn te verbinden zoals door de vrouw verzocht en wel van drie maanden. Als de man niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid, binnen drie maanden na de datum van deze beschikking te realiseren, moet de woning worden verkocht. (…)
Partijen zijn het eens dat de levensverzekering bij de ASR die is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,- en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Indien de woning moet worden verkocht, moet op de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.
De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.”
(iii) De man is in hoger beroep gegaan van de hiervoor onder (ii) genoemde beschikking in de bodemprocedure, waarna de vrouw incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
(iv) De vrouw heeft vervolgens in twee kortgedingprocedures vorderingen ingesteld strekkende tot verkoop en levering van de woning aan een derde. In beide procedures zijn de vorderingen van de vrouw afgewezen.
2.2
De man vordert in dit kort geding onder meer een veroordeling van de vrouw om medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan de man, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. [2]
Het hof heeft de vordering toegewezen. [3] Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

Spoedeisend belang?
(…)
4. Het hof is van oordeel dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Tussen partijen is sprake van een langdurige en complexe echtscheiding waar beide partijen een aandeel in hebben. Zowel de man als de vrouw hebben er een belang bij dat er zoveel mogelijk een einde komt aan de jarenlange rechtsstrijd. De toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de man heeft de rechtbank Rotterdam al in de beschikking d.d. 24 maart 2020 vastgelegd als zijnde de afspraak van partijen. De grieven van de vrouw tegen deze vastlegging heeft het hof in hoger beroep bij beschikking d.d. 19 december 2023 verworpen. Door het verwezenlijken van de verdeling van de voormalige echtelijke woning door de goederenrechtelijke voltooiing ervan komt er ten minste een einde aan een onderdeel van een conflict tussen partijen en komen partijen losser van elkaar. Door de goederenrechtelijke levering van de woning aan de man en het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaat er voor beide partijen een stuk financiële rechtszekerheid.
De grieven
(…)
8. Het hof overweegt als volgt. De rechtsrelatie tussen ex-echtgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Van beide ex-echtgenoten tevens deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap zijnde de woning, mag in redelijkheid worden verlangd dat zij op een constructieve wijze meewerken aan de verdeling. Uit de beschikking van 24 maart 2020 van de rechtbank Rotterdam volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de woning te [woonplaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000,- en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [woonplaats] wordt verdeeld met toedeling aan de man voor een bedrag van € 940.000,-. In het proces-verbaal staat letterlijk: “De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop op rust.” Het enkele feit dat de man – mede bezien het conflict tussen partijen – niet binnen drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de woning, rechtvaardigt niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst van verdeling die zij met de man op 24 maart 2020 heeft gesloten met betrekking tot de woning. Ook zij heeft haar aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning. Het hof is van oordeel dat de man niet toerekenbaar te kort is geschoten in de uitvoering van de op 24 maart 2020 tussen partijen gesloten overeenkomst inzake de woning te [woonplaats]. Het hof is derhalve van oordeel dat de man nakoming kan vorderen van deze overeenkomst, hetgeen impliceert dat de vrouw dient mee te werken aan de goederenrechtelijke voltooiing van de toedeling van de woning aan de man door het meewerken aan de daarvoor vereiste leveringshandeling middels notariële akte en dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank wordt ontslagen. Ook uit de beschikking van dit hof van 19 december 2023 volgt dat de vrouw aan de verdeling van de woning te [woonplaats] is gehouden. De grieven van de man treffen derhalve doel.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel I.2 [4] van het middel keert zich onder meer met motiveringsklachten tegen rov. 4 en rov. 8 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 volgt dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de woning aan de man zou worden toebedeeld tegen een waarde van € 940.000,--, dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake van die lening zou vrijwaren, en dat uit het proces-verbaal van het hof van de zitting van 8 april 2021 eveneens volgt dat de woning aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,--.
Het onderdeel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat er tussen partijen een overeenkomst met de door het hof bedoelde inhoud bestond. Daartoe voert het onderdeel onder meer aan, samengevat, dat de rechtbank op verzoek van de vrouw een termijn van drie maanden heeft gesteld voor de overname van de woning door de man tegen een waarde van € 940.000,-- en heeft bepaald dat de woning bij overschrijding van die termijn moet worden verkocht, waarbij de eventuele onder- of overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld, en dat het hof onbesproken heeft gelaten dat de vrouw ook tijdens de zitting van 8 april 2021 – zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting – heeft aangedrongen op verkoop van de woning (aan een derde).
3.2
Zoals blijkt uit rov. 8 van het bestreden arrest, heeft het hof aangenomen dat er tussen partijen in dit verband overeenstemming bestond over de volgende aspecten: (i) de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de man, (ii) de waarde waartegen de woning wordt toegedeeld (€ 940.000,--), en (iii) de overname door de man van de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening. Uit de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020 volgt dat tussen partijen overeenstemming bestond over de aspecten (i) en (iii). Uit die beschikking van de rechtbank (rov. 3.5.15) blijkt evenwel dat partijen het niet eens waren over aspect (ii). Daarom heeft de rechtbank de waarde van de woning zelf vastgesteld op € 940.000,--. In zoverre heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de beschikking van de rechtbank, door te oordelen dat daaruit volgt dat tussen partijen over alle hiervoor genoemde aspecten overeenstemming bestond.
Het oordeel van het hof dat tussen partijen overeenstemming bestond over aspect (ii), berust evenwel ook zelfstandig op een aan het hof voorbehouden en niet onbegrijpelijke uitleg van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 april 2021. Zoals overwogen door het hof, volgt uit het proces-verbaal dat de voorzitter ter zitting heeft geresumeerd (‘vat samen’) dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust. Op grond van het proces-verbaal kan niet worden geconcludeerd dat, zoals het onderdeel kennelijk betoogt, dit resumé van de voorzitter enkel een samenvatting is van hetgeen de advocaat van de man ter zitting heeft aangevoerd en onjuist is.
Het hof heeft, anders dan het onderdeel kennelijk aanvoert, niet miskend dat aan de afspraak betreffende de toedeling van de woning aan de man tegen de waarde van € 940.000,-- een voorwaarde was verbonden, namelijk dat de man de toedeling van de woning met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening binnen drie maanden moest realiseren. Het hof heeft blijkens rov. 8 van het bestreden arrest geconstateerd dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, maar vervolgens geoordeeld dat dit niet rechtvaardigt dat de vrouw niet meer is gebonden aan de overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de woning, nu ook de vrouw er een aandeel in heeft gehad dat de man daaraan niet binnen de gestelde termijn uitvoering kon geven. Daarmee heeft het hof ook gerespondeerd op het ter zitting van 8 april 2021 ingenomen standpunt van de vrouw dat de woning dient te worden verkocht.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel I.2 faalt.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
30 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3277.
2.Rechtbank Rotterdam 5 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2844.
3.Gerechtshof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2565.
4.Zie ook HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126.