Partijen zijn in Iran gehuwd en hebben een huwelijkscontract met clausules over vermogensverdeling. De vrouw woont sinds 2006 in Nederland en heeft sinds 2009 ook de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelde vast dat Iraans recht van toepassing was tot 2006 en Nederlands recht daarna. De vrouw vorderde onder meer de helft van de vermogensaanwas over de Iraanse periode, maar de rechtbank wees dit af vanwege niet-naleving van voorwaarden in de huwelijkse voorwaarden.
Het hof oordeelde dat het Iraanse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat een clausule die de vrouw alleen rechten geeft als zij de echtscheiding niet wenst en geen schuld heeft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde en buiten toepassing moet blijven. Het hof liet een deskundigenrapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) opstellen, dat concludeerde dat zonder die clausule de vrouw toch aanspraak kan maken op de helft van het vermogen volgens Iraans recht.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het Iraanse recht moet worden toegepast als een clausule gedeeltelijk buiten toepassing wordt gelaten. Ook oordeelt de Hoge Raad dat een rechtskeuze voor Nederlands recht ten processe niet rechtsgeldig is zonder notariële akte. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor nadere beoordeling van de Iraanse huwelijkse voorwaarden en de verdeling van het vermogen.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de vrouw gebonden is aan de overeenkomst over de toedeling van de woning aan de man, ondanks dat de man niet binnen de gestelde termijn financiering kon verkrijgen. De openbare-orde-exceptie moet ambtshalve worden toegepast, ook buiten het door partijen bestreden gebied. De kosten van het cassatieproces worden ieder door eigen partij gedragen.