ECLI:NL:HR:2026:179

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/00336
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 359 lid 5 SvArt. 36e lid 10 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen woning en motivering geldboete ter afroming verkregen voordeel

De Hoge Raad heeft op 13 februari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte was veroordeeld voor witwassen van een woning die was verbouwd met crimineel vermogen. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewezenverklaarde niet tot cassatie leiden.

De kern van het geschil betrof de motivering en rechtmatigheid van de opgelegde geldboete van € 50.000, die mede diende ter afroming van het door de verdachte uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel. De Hoge Raad bevestigde dat de feitenrechter een ruime straftoemetingsvrijheid heeft en dat het toegestaan is om de hoogte van een geldboete mede te baseren op de omvang van het verkregen voordeel, mits de uitspraak voldoende inzicht biedt in de wijze van schatting van dat voordeel.

Voorts benadrukte de Hoge Raad dat dubbele ontneming moet worden voorkomen, waarbij rekening moet worden gehouden met de geldboete bij een eventuele ontnemingsprocedure. De motiveringsplicht van artikel 359 lid 5 Sv Pro speelt hierbij een belangrijke rol. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat een geldboete ter afroming van het voordeel niet is toegestaan.

Ten slotte constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar zonder verdere rechtsgevolgen. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geldboete ter afroming van verkregen voordeel is toegestaan mits voldoende gemotiveerd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00336
Datum13 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2024, nummer 23-000421-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 14.

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een geldboete van € 50.000.
3.2
Het hof heeft de verdachte voor witwassen veroordeeld tot onder meer een geldboete van € 50.000, subsidiair 285 dagen hechtenis. Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan witwassen door te wonen in – en het genot te hebben van – een stolpboerderij die (in 1999/2000) is verbouwd met crimineel vermogen. Met haar handelen heeft de verdachte geprofiteerd van crimineel geld en ook opbrengsten van misdrijf onttrokken aan het zicht van justitie en de Belastingdienst. Dat levert een bedreiging op van de legale economie en vormt een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Door het handelen van personen als de verdachte wordt het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Daarbij komt dat het voor het oog van de samenleving lijkt alsof misdaad loont. Witwassen is daarmee een ernstig feit, dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit in diverse vormen, en om die reden de rechtsstaat ondermijnt.
Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat zij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Kennelijk ziet zij daarvan het laakbare niet in. Dit spreekt in het nadeel van de verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 december 2023, waaruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
(...)
Het hof is van oordeel dat gelet op de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de advocaat-generaal gevorderd) niet wenselijk is. Gelet op de lange periode – ruim acht jaar – waarin de verdachte van de verbouwde boerderij heeft geprofiteerd alsmede de omvangrijke bedragen die daarmee gemoeid waren, is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geldboete van € 50.000,- in beginsel een passende en geboden bestraffing is. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.”
Aan de beoordeling van het cassatiemiddel voorafgaande opmerkingen
3.3
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal merkt de Hoge Raad het volgende op over de oplegging van een geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ – dat wil zeggen: ontneming – van het door de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel.
3.4.1
In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna ook: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. (Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975).
3.4.2
Bij de keuze voor de oplegging van een geldboete en bij het bepalen van de hoogte daarvan mag de rechter verschillende factoren betrekken, zoals de aard en de ernst van het feit alsook de gevolgen van het delict. Daarbij kan de feitenrechter ook betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de verdachte met het bewezenverklaarde feit financieel voordeel heeft behaald, en/of aan de omstandigheid dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan met het oog op het behalen van dat voordeel.
3.4.3
Ook staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de rechter de hoogte van een geldboete (mede) bepaalt aan de hand van de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel (vgl. ook, in enigszins andere bewoordingen, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684 en HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594). Als de feitenrechter deze factor betrekt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete, moet de uitspraak in voldoende mate inzicht bieden in de manier waarop de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel is geschat. Wanneer de rechter met de oplegging van de geldboete beoogt (een deel van) het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel te ontnemen, moet immers worden voorkomen dat hetzelfde voordeel dubbel wordt ontnomen, te weten eerst via een opgelegde geldboete en daarna via de oplegging van een ontnemingsmaatregel (vgl. ook, in verband met de verbeurdverklaring, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1211).
3.4.4
De motiveringsplicht van artikel 359 lid 5 Sv Pro om ‘in het bijzonder de redenen op te geven die de straf hebben bepaald’ strekt mede ertoe te waarborgen dat de rechter in de uitspraak het onder 3.4.3 genoemde inzicht biedt. Voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van de oplegging van een geldboete en de wijze waarop daarbij in voorkomend geval de omvang van het uit het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel is betrokken, is onder meer van belang wat op de zitting aan de orde is gesteld en wat uit de bewijsvoering en de strafmotivering blijkt over de (vermoedelijke) omvang van dat voordeel en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden. De verdediging moet in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten.
3.5.1
In verband met een mogelijk op de strafzaak volgende ontnemingszaak verdient het volgende opmerking. Het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel brengt mee dat onder ‘uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ in artikel 36e lid 10 van het Wetboek van Strafrecht mede wordt begrepen een geldboete die (deels) is opgelegd op grond van de overweging dat met de voldoening van de geldboete (een deel van) het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene komt te ontvallen. De rechter in de ontnemingsprocedure houdt daarom bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening met de oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete.
3.5.2
Als de rechter in de strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar de rechter in de ontnemingszaak – gelet op de hoogte van de opgelegde geldboete of anderszins – aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van een geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel dient, dan is de rechter in de ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij de vaststelling van de betalingsverplichting.
Beoordeling van de zaak
3.6
Het cassatiemiddel steunt op de opvatting dat de oplegging van een geldboete die mede strekt tot ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel niet is toegestaan. Het voert daartoe aan dat, nu door het openbaar ministerie is aangekondigd dat een ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt, een eventuele ontnemingsmaatregel niet dan wel onvoldoende zal kunnen worden afgestemd op de door het hof opgelegde geldboete. Gelet op wat onder 3.4 en 3.5 is vooropgesteld, gaat het cassatiemiddel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het cassatiemiddel faalt daarom.

4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

6.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout, T.B. Trotman, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2026.