Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het geschil de nietigverklaring van de dagvaarding in een zaak over drugslaboratoria. De rechtbank had de dagvaarding nietig verklaard wegens onvoldoende duidelijke tenlastelegging. Het hof bevestigde deze nietigverklaring zonder inhoudelijk onderzoek.
De verdachte stelde in cassatie dat hem niet het recht was gelaten het laatst te spreken, zoals vereist in artikel 283 lid 6 juncto Pro lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bleek dat dit recht niet was verleend.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet naleven van dit voorschrift leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing, en het openbaar ministerie was voornemens de verdachte opnieuw te dagvaarden. De splitsing van de zaken A en B werd door het hof in stand gehouden, waarbij zaak B wel inhoudelijk werd behandeld.
De Hoge Raad benadrukte het belang van het recht van de verdachte om het laatst te spreken bij nietigheidsverweren, en bevestigde daarmee de rechtspraak dat schending hiervan leidt tot nietigheid van het proces.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens schending van het recht van de verdachte om het laatst te spreken en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.