Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het middel
(vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7542).
3.Slotsom
4.Beslissing
10 november 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte was in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn was ingesteld. De raadsman van de verdachte voerde verweer tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, waarbij hij stelde dat het grievenformulier niet door de verdachte zelf was ingevuld en dat de verdachte niet op de hoogte was van de zitting.
Volgens art. 283 Sv Pro heeft de verdachte of diens raadsman het recht om het laatst het woord te voeren bij de beoordeling van niet-ontvankelijkheid. Uit het proces-verbaal bleek echter dat de raadsman niet nogmaals het woord heeft kunnen voeren nadat de advocaat-generaal het woord had genomen. Dit is een schending van het voorschrift dat in het belang van de verdachte is gegeven.
De Hoge Raad oordeelt dat deze schending zo ernstig is dat het de procesorde aantast en leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en afdoening.
De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van art. 283 Sv Pro in hoger beroep, met name het recht van de verdediging om het laatst te spreken bij niet-ontvankelijkheidsverweren. Dit arrest bevestigt dat het niet naleven van dit recht tot nietigheid kan leiden, ook al is dit niet expliciet in de wet bepaald.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van art. 283 Sv en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.