ECLI:NL:HR:2012:BV8510
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- F.B. Bakels
- A.H.T. Heisterkamp
- C.E. Drion
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 843a Rv bij vordering inzake bescheiden zonder Nederlandse hoofdprocedure
In deze zaak vorderde ABU DHABI ISLAMIC BANK (ADIB) op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzage in bescheiden die betrekking hebben op een Letter of Credit (L/C) waarbij Fortis Bank als confirmerende bank was betrokken. Fortis had een kredietbedrag beschikbaar gesteld en later terugbetaling gevorderd, waarop ADIB conservatoir beslag liet leggen en vervolgens inzage in bescheiden verlangde.
De voorzieningenrechter en het gerechtshof Amsterdam wezen de vordering af omdat er geen procedure in Nederland aanhangig was of te verwachten viel. Het hof stelde dat artikel 843a Rv alleen toepassing vindt bij een procedure die in Nederland wordt gevoerd.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat artikel 843a Rv een zelfstandige bevoegdheid toekent voor exhibitie van bescheiden, ook buiten lopende procedures en zonder dat een procedure in Nederland aanhangig is of zal worden gemaakt. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.
De Hoge Raad benadrukte dat de tekst en geschiedenis van artikel 843a Rv geen beperking bevatten dat de rechtsbetrekking moet leiden tot een procedure in Nederland. De vordering kan zowel in een lopend geding als in een afzonderlijk verzoekschrift worden ingesteld, en kan een zelfstandig karakter hebben.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.