ECLI:NL:HR:2026:202
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen overdrachtsbelasting bij middellijk belang aandelen na afsplitsing
Belanghebbende, een BV die is ontstaan door een afsplitsing waarbij zij aandelen in vier onroerendgoed-BV’s verkreeg, betaalde overdrachtsbelasting over deze aandelen. Zij stelde dat voor drie van deze BV’s, die een belang hadden in werkmaatschappijen, geen overdrachtsbelasting verschuldigd was vanwege toepassing van artikel 4 lid Pro 4a van de Wet BRV. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat de BV’s niet direct een belang van ten minste een derde hadden in de werkmaatschappijen en het middellijke belang van de zonen niet kon worden toegerekend.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de toerekeningsbepaling wel van toepassing moest zijn, onder meer op basis van een taalkundige en teleologische uitleg. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van de zonen niet kan worden meegeteld omdat zij geen direct belang in de BV’s hebben, en dat de wetsgeschiedenis geen aanwijzing geeft voor een ruimere interpretatie. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op en bevestigde hiermee de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.