ECLI:NL:HR:2026:236
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmiddelenverbod bij wrakingsbeslissingen in bestuursrechtelijke procedure
Belanghebbende heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een bestuursrechtelijke belastingzaak, dat door de wrakingskamer van de Rechtbank Rotterdam en vervolgens door het Gerechtshof Den Haag is afgewezen. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het rechtsmiddelenverbod in artikel 8:18, lid 6, Awb.
De Hoge Raad overweegt dat het rechtsmiddelenverbod tegen wrakingsbeslissingen niet kan worden doorbroken op grond van vermeende onjuiste toepassing van de wrakingsregeling of schending van essentiële vormen. Wel kan de onpartijdigheid van de rechter in de hoofdprocedure worden aangevoerd, ook in cassatie, waardoor een zelfstandig rechtsmiddel tegen de wrakingsbeslissing overbodig is.
De Hoge Raad komt hiermee terug op eerdere rechtspraak die doorbreking van het verbod toestond. Dit arrest verduidelijkt dat het belang van voortgang van de procedure zwaarder weegt dan het belang van een zelfstandig rechtsmiddel tegen wrakingsbeslissingen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en legt geen proceskosten op.
Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de wrakingsbeslissing wordt ongegrond verklaard en het rechtsmiddelenverbod blijft ondoorbroken.