In deze zaak stond de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn centraal. De belanghebbende had een procedure gevoerd tegen het College van B&W van de gemeente Haarlemmermeer en de Staat. De rechtbank had een vergoeding vastgesteld van respectievelijk €417 en €83. Het hof had deze bedragen verlaagd naar €42 en €8, wat door belanghebbende en de heffingsambtenaar werd bestreden.
De Hoge Raad oordeelde in een tussenarrest dat het hof niet bevoegd was om de vergoeding van de Staat te verlagen omdat deze geen hoger beroep had ingesteld, waardoor die uitspraak onherroepelijk was. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade betrof en bevestigde de rechtbankuitspraak.
Daarnaast werd geoordeeld dat alleen de heffingsambtenaar veroordeeld kan worden in de kosten van het incidentele hoger beroep bij het hof, niet de Staat. De Hoge Raad stelde de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure vast en wees belanghebbende erop dat hij geen bijzonder geval had aangetoond voor een hogere vergoeding.
De Hoge Raad veroordeelde het College en de Staat ieder voor de helft in de kosten van het cassatiegeding en de heffingsambtenaar in de kosten van het incidentele hoger beroep bij het hof. Tevens werd het griffierecht van belanghebbende vergoed. Dit arrest bevestigt de bescherming van het recht op een redelijke termijn en de correcte toepassing van proceskostenvergoedingen.