Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
4.2 Ongewijzigd doorlopen vaste reiskostenvergoeding
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente als belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de goedkeuringen in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis op vaste reiskostenvergoedingen.
Belanghebbende had werknemers een Individueel Keuze Budget (IKB) toegekend, waaronder vaste reiskostenvergoedingen. De Staatssecretaris gaf een goedkeuring met terugwerkende kracht tot 12 maart 2020, die het mogelijk maakte om wijzigingen in het reispatroon door de coronamaatregelen niet te laten leiden tot aanpassing van de vaste reiskostenvergoeding of loonheffing.
Het Hof oordeelde dat deze goedkeuring alleen ziet op vaste reiskostenvergoedingen die vóór 13 maart 2020 waren toegekend en dat belanghebbende geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan toepassing van de goedkeuring op vergoedingen toegekend na die datum. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst klachten van belanghebbende af, waarbij het belang van de tekst, strekking en context van het beleidsbesluit centraal staat.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de goedkeuring voor vaste reiskostenvergoedingen alleen geldt voor vergoedingen toegekend vóór 13 maart 2020 en verklaart het cassatieberoep ongegrond.