ECLI:NL:HR:2026:301
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over proceskostenvergoeding en termijnoverschrijding in bpm-naheffingszaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend op basis van een waarde per punt van €541. Het hof stelde vast dat de rechtbank een te laag bedrag per punt had gehanteerd en verhoogde de vergoeding, maar verlaagde daarbij de wegingsfactor, wat de Hoge Raad onjuist achtte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet ambtshalve de wegingsfactor mocht verlagen bij het opnieuw vaststellen van de vergoeding en stelde de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vast op €1.868, gebaseerd op de juiste waarde per punt en wegingsfactor 1. Daarnaast wees de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende af om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden.
De Hoge Raad besloot de verdere beslissing over de vergoeding van kosten van de cassatieprocedure aan te houden, omdat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om te beoordelen of sprake is van een bijzonder geval volgens de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen. Belanghebbende krijgt de gelegenheid nadere gegevens te verstrekken, waarna de Staat kan reageren. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vast op €1.868 en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af.