Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd in algehele wettelijke gemeenschap van goederen, die is ontbonden door een echtscheidingsverzoek. De man had zich als borg en medeschuldenaar verbonden voor leningen aan vennootschappen waarmee hij verbonden was, waaronder HR Logistic Services B.V. De vrouw verzocht om vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de man wilde dat alle schulden aan een derde partij als gemeenschapsschulden werden aangemerkt en gelijk verdeeld.
De rechtbank stelde een schuld van ruim 1,9 miljoen euro vast en bepaalde een interne draagplicht van 50% tussen de man en HR Logistic Services. Het hof vernietigde dit oordeel en bepaalde dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor alle openstaande schulden inclusief rente, omdat schulden waarvoor de man zich als borg had verbonden ook tot de gemeenschapsschulden behoren. De vrouw stelde geen uitzonderlijke omstandigheden voor een afwijking van de gelijke verdeling.
De Hoge Raad oordeelt dat de borgstelling inderdaad onder de gemeenschapsschulden valt op grond van art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW en art. 7:850 BW Pro. Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat alle schulden zonder onderscheid gemeenschapsschulden zijn, omdat de man erkende dat hij zich voor een deel van de schulden niet als borg of medeschuldenaar had verbonden. De zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van welke schulden precies tot de gemeenschap behoren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de gemeenschapsschulden.