Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:347

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/01590
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 lid 5 BW (oud)Art. 7:850 BWArt. 6:7 BWArt. 6:102 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over borgtocht en gemeenschapsschulden in huwelijksgoederengemeenschap

Partijen waren gehuwd in algehele wettelijke gemeenschap van goederen, die is ontbonden door een echtscheidingsverzoek. De man had zich als borg en medeschuldenaar verbonden voor leningen aan vennootschappen waarmee hij verbonden was, waaronder HR Logistic Services B.V. De vrouw verzocht om vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de man wilde dat alle schulden aan een derde partij als gemeenschapsschulden werden aangemerkt en gelijk verdeeld.

De rechtbank stelde een schuld van ruim 1,9 miljoen euro vast en bepaalde een interne draagplicht van 50% tussen de man en HR Logistic Services. Het hof vernietigde dit oordeel en bepaalde dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor alle openstaande schulden inclusief rente, omdat schulden waarvoor de man zich als borg had verbonden ook tot de gemeenschapsschulden behoren. De vrouw stelde geen uitzonderlijke omstandigheden voor een afwijking van de gelijke verdeling.

De Hoge Raad oordeelt dat de borgstelling inderdaad onder de gemeenschapsschulden valt op grond van art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW en art. 7:850 BW Pro. Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat alle schulden zonder onderscheid gemeenschapsschulden zijn, omdat de man erkende dat hij zich voor een deel van de schulden niet als borg of medeschuldenaar had verbonden. De zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van welke schulden precies tot de gemeenschap behoren.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de gemeenschapsschulden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01590
Datum6 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.G.A. van Stratum,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] , Frankrijk,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: thans R.T. Wiegerink, aanvankelijk M.E.M.G. Peletier.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/09/632615 FA RK 22-4727 en C/09/642443 FA RK 23-920 van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2023;
b. de beschikking in de zaken 200.334.532/01 en 200.334.540/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele wettelijke gemeenschap van goederen.
(ii) De huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden door indiening van een echtscheidingsverzoekschrift.
(iii) [betrokkene 1] heeft leningen verstrekt aan met de man verbonden vennootschappen, waaronder HR Logistic Services B.V. (hierna: HR Logistic Services). De man heeft zich voor een deel van die leningen als medeschuldenaar en/of borg verbonden.
2.2
Partijen hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft onder meer verzocht te bepalen dat alle schulden aan [betrokkene 1] tot de gemeenschapsschulden behoren en bij helfte worden gedeeld.
2.3
De rechtbank [1] heeft, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de totale schuld die de man tezamen met HR Logistic Services is aangegaan € 1.904.653,10 bedraagt, de man in de interne verhouding tot HR Logistic Services een bijdrageplicht heeft van 50% (€ 952.326,55) en partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft van dit bedrag (€ 476.163,28) draagplichtig zijn.
2.4
Het hof [2] heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en onder meer bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen van [betrokkene 1] . Het hof heeft zijn oordeel als volgt toegelicht.
Een gevolg van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is dat in beginsel alle goederen in de gemeenschap vallen en dat in beginsel alle schulden op de huwelijksgoederengemeenschap verhaalbaar zijn. Op basis van art. 1:100 BW Pro moet de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte worden verdeeld. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van een verdeling bij helfte worden afgeweken. Art. 6:102 BW Pro houdt in dat de echtgenoot die de schuld niet is aangegaan, jegens de schuldeiser hoofdelijk aansprakelijk wordt. (rov. 5.2)
De vrouw heeft geen uitzonderlijke omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden. (rov. 5.37)
De man heeft in zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt verder in zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar, leningen zijn aangegaan bij [betrokkene 1] . (rov. 5.39)
De man heeft producties in het geding gebracht met betrekking tot deze gemeenschapsschulden. In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met hem verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond), komt dit uit op € 6.016.399,--. (rov. 5.40)
De man heeft zich als hoofdelijk schuldenaar verbonden voor de schulden van de vennootschappen of zich als borg verbonden. De vrouw was volledig van de gang van zaken rond de leningen en hypothecaire zekerheidsstelling op de hoogte en deze had haar instemming. De schulden van de man aan [betrokkene 1] moeten worden gekwalificeerd als gemeenschapsschulden. Partijen zijn gelijk draagplichtig voor deze gemeenschapsschulden, en als deze gemeenschapsschulden rentedragend zijn, zijn beide partijen dus ook gelijk draagplichtig voor de rentetermijnen die ontstaan (zijn) na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. (rov. 5.48)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 en onderdeel 4 van het middel klagen over het oordeel van het hof (in rov. 5.48) dat de schulden van de vennootschappen aan [betrokkene 1] waarvoor de man zich als hoofdelijk schuldenaar of als borg heeft verbonden, als gemeenschapsschulden gelden.
Volgens onderdeel 1 getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de schuld van de vennootschappen door de borgstelling niet de schuld van de borg wordt.
Onderdeel 4 voert onder meer aan dat voor het antwoord op de vraag of en tot welk bedrag een schuld waarvoor een echtgenoot zich hoofdelijk heeft verbonden in de huwelijksgoederengemeenschap valt, de interne draagplicht van de echtgenoot ten opzichte van zijn medeschuldenaar bepalend is.
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW Pro tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW Pro in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. Onderdeel 1 faalt dan ook.
Ook onderdeel 4 slaagt niet. De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW Pro), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW in de gemeenschap.
3.3
Onderdeel 9 klaagt onder meer dat het hof (in rov. 5.40) niet in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van de vrouw dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden van de aan hem verbonden vennootschappen niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden.
3.4
De klacht slaagt. De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep tevens inhoudende incidenteel appel aangevoerd dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden niet als medeschuldenaar heeft verbonden. De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 54 erkend dat uit de overgelegde notariële akte van 1 september 2020 (productie 72) blijkt dat [betrokkene 1] en HR Logistic Services een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij zeven al bestaande zakelijke leningen zijn samengevoegd tot een nieuwe lening ter hoogte van een bedrag van € 867.034,--, en dat de man zich voor deze schuld niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden. In het licht van deze standpunten van partijen is het oordeel van het hof in rov. 5.40 ten aanzien van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de aan de man verbonden vennootschappen heeft geleend, onbegrijpelijk.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
6 maart 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 25 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12249.
2.Gerechtshof Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:281.