ECLI:NL:HR:2026:395
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over heffingsbevoegdheid pensioen en lijfrente bij belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, woonachtig in België, ontving over de jaren 2014 tot en met 2017 een Nederlands pensioen en lijfrente. De Inspecteur legde over het volledige bedrag Nederlandse inkomstenbelasting en belastingrente op, ondanks dat een deel van het pensioen in België progressief werd belast. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat het heffingsrecht exclusief aan België toekomt omdat het drempelbedrag van € 25.000 niet werd overschreden, en kende belastingrente toe over teruggaven.
De Hoge Raad stelde vast dat voor de toepassing van de drempel in artikel 18, paragraaf II, van het belastingverdrag het volledige brutobedrag van de pensioen- en lijfrente-uitkeringen moet worden meegeteld, ongeacht het deel dat in België progressief wordt belast. Hierdoor wordt de heffingsbevoegdheid van Nederland beperkt tot het deel dat niet progressief in België wordt belast.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de toekenning van belastingrente door het Hof onterecht was, omdat de teruggaven voortkwamen uit verrekening van loonbelasting met aanslagen inkomstenbelasting en niet uit een teruggaaf van loonbelasting zelf. De aanslagen en belastingrente werden dienovereenkomstig verminderd. De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van Hof en Rechtbank en wees de zaak afdoende toe.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de belastingaanslagen en belastingrente over 2014-2017 conform de juiste toepassing van het belastingverdrag.