Conclusie
1.Inleiding
gehelebrutobedrag worden belast door de bronstaat, dus inclusief het wel progressief belaste deel daarvan (‘alles-of-nietsbenadering’).
eerste middelbestaat uit twee onderdelen en bestrijdt het oordeel van het Hof dat het heffingsrecht over het pensioen exclusief aan woonstaat België dient te worden toegewezen. Het eerste middelonderdeel betoogt dat op basis van zowel de tekst van het Verdrag als de gezamenlijke toelichting helder is wat de juiste uitleg van art. 18(2) Verdrag is. Het tweede middelonderdeel stelt dat de overeenkomst van 5 maart 2018 niet tot een andere heffingsbevoegdheidsverdeling leidt en niet moet worden beschouwd als een verdragsposterieure uitlegging. Voor de uitleg van het Verdrag is de overeenkomst slechts in zoverre relevant dat daarin bevestiging kan worden gevonden voor de juistheid van de uitleg van de Inspecteur. Het
tweede middelkomt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen de beslissing van het Hof dat de Inspecteur belastingrente dient te vergoeden over de teruggaven van ingehouden loonbelasting.
HR BNB 2023/33 –en in hoeverre de onderling-overlegprocedure de mogelijkheid biedt (bindend) een bepaalde uitleg voor te schrijven. In onderdeel 5 bespreek ik art. 18(2) Verdrag. Hierbij komt in de eerste plaats de totstandkomingsgeschiedenis aan de orde. Vervolgens ga ik in op het Nederlandse fiscale verdragsbeleid en zet ik uiteen hoe vergelijkbare pensioenartikelen in andere door Nederland gesloten belastingverdragen luiden. Een bespreking van enige jurisprudentie volgt, waarna ik inga op de ontwikkelingen na de totstandkoming van het Verdrag. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan hoe België uit Nederland afkomstig pensioen belast.
HR BNB 2021/23, heeft in mijn optiek evenzeer te gelden voor de uitleg van art. 18(2) Verdrag. Als de verdragsstaten hadden gewild dat de mate waarin is voldaan aan de voorwaarden (a) en (b) geen of een beperkte rol zou spelen bij de beoordeling of het drempelbedrag al dan niet wordt overschreden, dan had het voor de hand gelegen dat zulks uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in de tekst dan wel gezamenlijke toelichting tot uitdrukking zou zijn gebracht.
eerste middelfaalt in beide onderdelen. Gelet op de tekst van art. 18(2) Verdrag en het contextuele gegeven dat sprake is van een uitzondering op de hoofdregel in het licht van
HR BNB 2021/23, past mijns inziens een uitleg waarbij voor de vaststelling of aan de voorwaarde van het drempelbedrag is voldaan moet worden gekeken naar de mate waarin de inkomensbestanddelen die ingevolge art. 18(2)(a) Verdrag én 18(2)(b) Verdrag tezamen belastbaar zouden zijn. Anders dan het eerste middelonderdeel bepleit, zijn in de gezamenlijke toelichting geen duidelijke aanknopingspunten te vinden dat deze uitleg niet strookt met de bedoeling van de verdragspartijen. De overeenkomst van 5 maart 2018 (die een andere, voor belanghebbende nadelige interpretatie geeft) zou tot een andere verdeling van de heffingsbevoegdheid leiden dan de verdeling die volgt uit het Verdrag, hetgeen de grenzen van de bevoegdheid die art. 28(3) Verdrag aan de verdragsstaten geeft overschrijdt. Hoewel het de vraag is of het Hof de rechtsregel uit
HR BNB 2023/33kon toepassen op de overeenkomst, kan dit niet tot cassatie leiden. De rechter is gehouden zelfstandig een verdragsbepaling uit te leggen. Ik acht het oordeel van het Hof juist, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden.
tweede middelis terecht voorgesteld. Op grond van art. 30fe(1) AWR wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting geen belastingrente vergoed bij vermindering van de aanslag als gevolg van een rechterlijke procedure. Hieraan kan worden toegevoegd dat het dictum in zoverre incompleet is dat de aanslagen IB/PVV niet zijn verminderd tot nihil. Ik geef de Hoge Raad in overweging dit te herstellen. Het beroep is
alleen om die reden gegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
het eerste middelmeent belanghebbende dat het Hof terecht heeft beslist dat Nederland niet heffingsbevoegd is. De Overeenkomst heeft (a) geen terugwerkende kracht (en is dus niet van toepassing op de onderhavige jaren) en (b) is voor de toekomst ook onverbindend doordat sprake is van een verdragswijziging (verschuiving van heffingsrechten) die niet op de voorgeschreven wijze tot stand is gekomen. Hoewel belanghebbende primair van mening is dat Nederland op grond van het voorgaande geen heffingsrecht toekomt, kan hij het oordeel van het Hof ook onderschrijven. Belanghebbende meent dat het Hof in essentie het leerstuk ‘in dubio contra fiscum’ heeft toegepast. Dit leerstuk, dat onderdeel uitmaakt van het legaliteitsbeginsel, houdt in dat in geval van twijfel een belastingwet moet worden uitgelegd ten voordele van de belastingplichtige. Dit zou eveneens moeten gelden voor een verdragsbepaling in een geval waarin er onzekerheid bestaat en blijft bestaan over de juiste uitleg van de verdragsbepaling, zoals hier aan de orde is.
4.Verdragsinterpretatie
lex specialisin beginsel voorrang geniet boven het Verdrag van Wenen. [14] Art. 3(2) Verdrag schijnt in dit geval echter geen helder licht op de uitleg van art. 18(2) Verdrag: in dit geschil is niet zozeer de vraag hoe een bepaalde term moet worden uitgelegd (zoals bijvoorbeeld wat ‘pensioen’ inhoudt), maar hoe art. 18(2) Verdrag als geheel moet worden opgevat en tot welke heffingsbevoegdheidsverdeling dit leidt. [15] Art. 3(2) Verdrag biedt als zodanig dus geen soelaas bij de beoordeling van deze vraag. Ik laat deze bepaling daarom verder rusten.
HR BNB 2023/33) uitgelaten over de status van een verdragsposterieur tot stand gekomen OESO-commentaar bij de interpretatie van een verdrag(sbepaling). Uit dit arrest volgt dat een verdragsposterieur OESO-commentaar dat verder gaat dan een precisering of verduidelijking van de verdragsbepaling niet van belang is voor de interpretatie van een bepaling van dat belastingverdrag, ook niet als aanvullend middel van interpretatie:
HR BNB 2000/16 [25] (en
HR BNB 2000/17 [26] ). De Hoge Raad oordeelt in
HR BNB 2000/16dat een door Duitsland en Nederland overeengekomen uitleg op basis van een MAP, waarvan ‘de schriftelijke neerslag’ niet afzonderlijk is bekendgemaakt, niet de rechter bindt, in die zin dat het hem ontslaat van de verplichting het verdrag uit te leggen:
HR BNB 2017/91 [29] kent de Hoge Raad een minder verstrekkende betekenis toe aan een MAP-bepaling in het Belastingverdrag Nederland-Duitsland. Deze staten hadden op grond van de MAP-bepaling onderling overeenstemming bereikt over de heffingsrechtverdeling met betrekking tot ontslagvergoedingen. De Hoge Raad had enkele jaren voor de totstandkoming van deze regeling (in het citaat aangeduid als ‘de Regeling’) andersluidend geoordeeld over deze bevoegdheid. De Hoge Raad oordeelt dat in zo’n geval niet door onderlinge overeenstemming kan worden bewerkstelligd dat de Nederlandse rechter een verdragsbepaling, zoals deze eerder door de Hoge Raad is uitgelegd, ten nadele van de belastingplichtige (deels) buiten toepassing laat:
HR BNB 2017/91. [30] Hij is van mening dat een kwalificatiemismatch (als gevolg van een verschillende uitleg door de hoogste belastingrechters van de verdragsstaten) niet kan worden gezien als een ‘moeilijkheid of twijfelpunt bij de uitleg of toepassing’. Zelfs als dat anders zou zijn, wijkt de regeling (in de hierna aangehaalde citaten ‘het Besluit’) expliciet af van de uitleg gegeven door de Hoge Raad, en ook daarvan kan niet gezegd worden dat sprake is van een uitleggings- of toepassingsmoeilijkheid:
mismatchis geen moeilijkheid of twijfelpunt bij de uitleg of toepassing. Ook als dat anders zou zijn, wijkt het Besluit expliciet af van de Verdragsuitleg door de Nederlandse hoogste belastingrechter, die evenmin moeilijk is uit te leggen of toe te passen en evenmin tot toepassingstwijfel leidt. Met de feitenrechters meen ik dat het Besluit verder gaat dan slechts opheffen van ‘moeilijkheden en twijfelpunten’ die zich bij ‘de uitlegging of de toepassing’ van het Verdrag voordoen. Ik meen daarom dat het Besluit niet gebaseerd kan worden op art. 25 Verdrag Pro. Ik zie ook overigens geen adequate gedelegeerde bevoegdheid.”
Spuitvlieger- en
Beerta-arresten van de Hoge Raad.
Beerta‑arrest volgt dan al dat toepassing van het Besluit op ontslagvergoedingen overeengekomen vóór de publicatie van het Besluit strandt op het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de belanghebbende er mogelijk van uitging dat de volgens HR BNB 2004/344 aan de Duitse arbeid toerekenbare € [i] in Duitsland belast zou zijn en dat zulks vervolgens feitelijk niet het geval bleek, doet er niet aan af dat belanghebbendes verwachting gerechtvaardigd was dat dat bedrag in geen geval in Nederland belast was. Hij heeft door die verwachting dat bedrag niet tijdig in een stamrecht kunnen onderbrengen, zoals hij wél heeft gedaan met de rest van de vergoeding.
HR BNB 2017/6niet afzonderlijk ingegaan op deze terugwerkende kracht-kwestie (en hoefde dat, gegeven het oordeel dat de regeling de rechter hoe dan ook niet bindt, ook niet te doen).
HR BNB 2020/8 [32] gaat A-G Wattel ten overvloede in op de betekenis van een middel van interpretatie in de zin van art. 31(3) Verdrag van Wenen. Toegepast op de aldaar aan de orde zijnde casus meent hij dat bij een kennelijk ‘later gebruik’ in de zin van art. 31(3)(b) Verdrag van Wenen valt te betwijfelen of de rechter daarin een grond zou kunnen vinden om van een andersluidende tekst en context af te wijken. Hetzelfde geldt voor het geval dat de executieven [33] dit in een onderlinge overeenkomst hebben vastgelegd. Uit
HR BNB 2000/16en
HR BNB 2017/91volgt dat zo’n onderlinge overeenstemming de rechter niet ontslaat van de verplichting om het verdrag zelfstandig uit te leggen en dat een onderling-overlegbepaling de executieven niet de bevoegdheid geeft een regeling te treffen die ten nadele van de belastingplichtige afdoet aan hetgeen de verdragssluitende staten volgens de rechter zijn overeengekomen. In
HR BNB 2020/8is de Hoge Raad overigens niet op dit punt ingegaan.
5.Art. 18(2) Verdrag Nederland-België
(het gedeelte van)de pensioen-, lijfrente en sociale zekerheidsuitkeringen,
waarvoor volgens paragraaf 2, subparagrafen a en b, van artikel 18 een Pro bronstaatheffing kan gelden,in het kalenderjaar
meer dan € 25 000 bedraagt.Dit betekent dat een Nederlandse AOW-uitkering van een inwoner van België
niet meetelt voor de € 25 000-grensindien deze uitkering in België wordt belast tegen het
progressieve tariefvan artikel 130 (gewoon stelsel van aanslag) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 én niet voor ten minste 10% is vrijgesteld volgens een bepaling uit dat wetboek.”
indien het totale brutobedrag ervanin enig kalenderjaar de som van 15.000 euro te boven gaat.”
secrefereert aan het totale brutobedrag van uit de bronstaat afkomstige pensioenen. [55] Dit verschil is des te opvallender nu in de Nederlandse parlementaire behandeling van het Verdrag met België expliciet aan het Belastingverdrag met Portugal wordt gerefereerd als ‘belangrijk precedent’. [56] Art. 18(2) Belastingverdrag Nederland-Portugal luidt (vetgedrukt CE):
indien en voor zoverde aanspraak op dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waaruit het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente afkomstig is, van belasting is vrijgesteld, dan wel de met het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen aan de pensioenregeling of verzekeringsmaatschappij, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale faciliëring; en
indien en voor zoverdit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waarvan de genieter van het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente inwoner is, niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet-zelfstandige arbeid, dan wel het brutobedrag van dat pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken; en
indien het totale brutobedrag van de pensioenenen andere soortgelijke beloning of lijfrenten en ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat
, in enig kalenderjaar een bedrag van 10.000 Euro te boven gaat.”
dat ingevolge de onderdelen a en b mag worden belast in de verdragsluitende partij waaruit het afkomstig isin enig kalenderjaar het totaalbedrag van 10.000 euro of het equivalent daarvan in de andere partij te boven gaat.”
indien:
uitsluitend van toepassing indien de totale brutobetalingen die, ingevolge de voorgaande bepalingen, belastbaar zouden zijn in de Verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, in het desbetreffende belastingjaar een bedrag van 25.000 euro overschrijden.”
een bedrag dat overeenkomt met 5000 Amerikaanse dollars per kalenderjaarniet overschrijden alsmede lijfrenten of alimentaties betaald aan een inwoner van een Overeenkomstsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar.
Het bedrag van deze beloningen dat de hiervoor bedoelde grens te boven gaat mag ook in de ander Overeenkomstsluitende Staat worden belastindien zij uit die Staat worden verkregen.”
HR BNB 2011/160 [66] staat de vraag centraal of een conserverende aanslag en beschikking revisierente ter zake van een emigratie naar België in strijd zijn met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitleg en toepassing van (art. 18 van Pro) het Verdrag. Dit is naar het oordeel van de Hoge Raad niet het geval, nu Nederland als bronstaat in “een (groot) aantal gevallen” kan heffen over het uit Nederland afkomstige pensioen (waarbij de Hoge Raad overigens in het midden laat welke gevallen dat zijn). Wel zou strijd met de goede trouw ontstaan als de Nederlandse ontvanger tot invordering van de conserverende aanslag overgaat in een geval waarin (alleen) België heffingsbevoegd is. Over het drempelbedrag oordeelt de Hoge Raad als volgt:
HR BNB 2021/23 [67] beantwoordt de Hoge Raad enkele prejudiciële vragen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over art. 18(2) Belastingverdrag Nederland-Portugal (voor de tekst van deze bepaling, zie 5.11). Eén van de vragen is of voor bronheffing over AOW-uitkeringen moet zijn voldaan aan voorwaarden a, b en c of slechts aan voorwaarde c (dus slechts of het drempelbedrag wordt overschreden). Nadat de Hoge Raad de rol van artt. 31 en 32 Verdrag van Wenen memoreert, gaat hij te rade bij de tekst van de bepaling en de context van het Belastingverdrag Nederland-Portugal. Hij acht noch de tekst noch de context eenduidig; beide bieden geen helderheid over de juiste uitleg. De Hoge Raad beslist ten faveure van de door belanghebbende voorgestane uitleg dat voor bronheffing over AOW-uitkeringen zowel aan voorwaarden a, b als c moet zijn voldaan (vetgedrukt CE):
Het ligt in de rede dat een uitzondering op die hoofdregel nauwkeurig wordt geformuleerd en alleen wordt geschreven voor de gevallen die bij een strikte lezing van de uitzonderingsbepaling onder de werkingssfeer ervan kunnen worden gebracht.Dit pleit voor de veronderstelling dat als de verdragsluitende partijen hadden gewild dat enkele voorwaarden voor toepassing van de uitzondering van artikel 18, lid 2, van het Verdrag niet zouden gelden voor één van de categorieën waarvoor die uitzondering is bedoeld, zulks
uitdrukkelijk en ondubbelzinnigin de tekst van het Verdrag of in de toelichtende nota tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dat is echter niet het geval.
"Voor zover"
6.Beschouwing
gehelebrutobedrag worden belast door de bronstaat, dus inclusief het wel progressief belaste deel daarvan (‘alles-of-nietsbenadering’).
HR BNB 2021/23, 5.17).
in zoverrevoldoen aan voorwaarden a én b kunnen belastbaar zijn in de bronstaat. Ik meen dat de aanhef ‘indien en voor zover’ ziet op beide voorwaarden. Dit is logisch gelet op het feit dat deze zinsnede in de aanhef staat en daarna beide voorwaarden volgen en tussen voorwaarde a en b het woordje ‘en’ is opgenomen. Ook is het begin van voorwaarde a en b gelijk geformuleerd.
si et dans la mesure où’ opgenomen, tussen voorwaarde a en voorwaarde b is ‘
et’ opgenomen en in de passage over het drempelbedrag wordt verwezen naar de voorgaande bepalingen ‘
en vertu des dispositions qui précèdent’.
HR BNB 2021/23, dat ziet op de uitleg van art. 18(2) Belastingverdrag Nederland-Portugal (5.11) – art. 18(2) een uitzondering vormt op de hoofdregel dat de door art. 18 Verdrag Pro bestreken inkomensbestanddelen door de woonstaat mogen worden belast (art. 18(1) Verdrag). Dat bij wege van uitzondering onder omstandigheden de bronstaat ook heffingsrecht heeft, volgt ten eerste uiteraard uit de opbouw van de bepaling (altijd woonstaatheffing, onder voorwaarden ook bronstaatheffing mogelijk). Dit blijkt bovendien uit het destijds door Nederland gehanteerde verdragsbeleid: het uitgangspunt is een woonstaatheffing, maar in bijzondere omstandigheden zou ook sprake kunnen zijn van een bronstaatheffing (5.7). Het uitzonderingskarakter vindt eveneens bevestiging in het gegeven dat de Nederlandse executieve het Nederlandse parlement voorhield dat de bronstaatheffing slechts in een beperkt aantal gevallen zou spelen (5.5). De uitleg die de Hoge Raad geeft in
HR BNB 2021/23(5.17), heeft in mijn optiek evenzeer te gelden voor de uitleg van art. 18(2) Verdrag. Als de verdragsstaten hadden gewild dat de mate waarin is voldaan aan de voorwaarden a en b bij het drempelbedrag geen of een beperkte rol zouden spelen, dan had het voor de hand gelegen dat zulks uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in de tekst dan wel gezamenlijke toelichting tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dat is niet gebeurd. Voor deze veronderstelling pleit des te meer dat dit in andere belastingverdragen die Nederland heeft gesloten wél is gebeurd (5.9-5.15).
HR BNB 2023/33toegepast. [79] In
HR BNB2023/33 stond de status van verdragsposterieur OESO-commentaar centraal, dat een aanvullend uitleggingsmiddel is in de zin van art. 32 Verdrag Pro van Wenen. Het komt mij voor dat de strekking van
HR BNB 2023/33ruimer kan zijn dan alleen het OESO-commentaar. Hoewel de bewuste overwegingen van de Hoge Raad in de context van het OESO-commentaar zijn gedaan, zie ik in theoretische zin niet direct in waarom het belang van dit arrest daartoe beperkt zou moeten blijven. Het argument dat de Hoge Raad aan deze beslissing ten grondslag heeft gelegd, dat het vaststellen of wijzigen van de inhoud van verdragsverplichtingen aan democratische controle zou worden onttrokken, [80] heeft in beginsel evengoed te gelden voor andere verdragsposterieure uitleggingen die buiten de parlementaire controle om tot stand komen. Het is echter de vraag of de rechtsregel uit dit arrest ook kan worden toegepast op de Overeenkomst, nu zij een uitleggingsmiddel is in de zin van art. 31(3) Verdrag van Wenen en dus geen aanvullend uitleggingsmiddel in de zin van art. 32 Verdrag Pro van Wenen. Het komt mij namelijk voor dat een art. 31-uitleggingsmiddel een ander, verstrekkender karakter
kanhebben dan de uitleggingsmiddelen bedoeld in art. 32 Verdrag Pro van Wenen. Vanuit dat licht bezien is het niet vanzelfsprekend dat
HR BNB 2023/33ook geldt voor art. 31-uitleggingsmiddelen, nog los van de vraag of
HR BNB 2023/33überhaupt verder strekt dan het verdragsposterieur OESO-commentaar.
7.Het dictum: teruggaaf loonbelasting met belastingrentevergoeding
gelast dat de inspecteur teruggaaf verleent van de ingehouden loonbelasting van respectievelijk € 64 (2014), € 261 (2015), € 261 (2016) en € 261 (2017), alsmede dat de inspecteur over deze teruggaven belastingrente vergoedt;
HR BNB 1998/5kan worden opgemaakt dat de rechter in een inkomstenbelastinggeschil het belastbare inkomen dient vast te stellen en de Hoge Raad dit desnoods ambtshalve in cassatie aan de orde brengt. [83] Nu er naar het oordeel van het Hof geen heffingsrecht aan Nederland toekomt over de pensioen- en lijfrente-uitkeringen en het inkomen uit werk en woning volledig bestaat uit deze pensioenen en lijfrenten, is geen Nederlandse inkomstenbelasting verschuldigd. In het dictum had dus moeten worden vermeld dat de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2017 verminderd dienen te worden tot nihil. Ik geef de Hoge Raad in overweging om de uitspraak van het Hof in zoverre dan ook te vernietigen en de desbetreffende aanslagen te verminderen tot nihil. Uit dat laatste vloeit mijns inziens strikt genomen dan teruggaaf van loonheffing voort, aangezien de materiële inkomstenbelastingschuld in dat geval nihil bedraagt. Uit art. 9.2(1)(a) Wet IB 2001 volgt immers dat de loonheffing – indien geen eindheffing – een voorheffing is en uit art. 15 AWR Pro volgt dat dergelijke voorheffingen worden verrekend met de aanslag. [84] Om mogelijke twijfel – gelet op art. 9.4(2) Wet IB, waaruit blijkt dat in een geval als het onderhavige geen aanslag wordt vastgesteld en voorheffingen niet worden verrekend – weg te nemen, zou in het dictum in cassatie desondanks kunnen worden toegevoegd dat teruggaaf wordt verleend van de ingehouden loonbelasting (vgl.
HR BNB 2004/261 [85] , waarin de Hoge Raad de uitspraak van het Hof en de desbetreffende inspecteur vernietigt en de aanslag vermindert tot nihil met verrekening van voorheffingen). In het dictum in cassatie zou in dat geval moeten worden opgenomen dat de desbetreffende aanslagen worden verminderd tot nihil, met verrekening van voorheffingen. Over de aanslagverminderingen en de (daaruit voortvloeiende) teruggaven van loonheffing kan op grond van art. 30fe(1) AWR geen belastingrente worden vergoed.
8.Beoordeling van de middelen
eerste onderdeelvan het
eerste middelbestrijdt het oordeel van het Hof dat het heffingsrecht over het pensioen exclusief aan woonstaat België dient te worden toegewezen.
HR BNB 2021/23, past mijns inziens een uitleg bij de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag waarbij voor de vaststelling of aan de voorwaarde van het drempelbedrag is voldaan moet worden gekeken naar de mate waarin de inkomensbestanddelen die ingevolge art. 18(2)(a) Verdrag én 18(2)(b) Verdrag tezamen belastbaar zouden zijn (6.1-6.6 en 6.8-6.9). Anders dan het middelonderdeel bepleit zijn in de gezamenlijke toelichting geen duidelijke aanknopingspunten te vinden dat deze uitleg niet strookt met de bedoeling van de verdragspartijen (6.7).
tweede onderdeelvan het
eerste middelbepleit dat de Overeenkomst geen zelfstandige basis voor Nederland creëert om te heffen over de pensioenuitkeringen en niet tot een heffingsrechtherschikking leidt. Het belang van de Overeenkomst is met name gelegen in de afspraken omtrent informatie-uitwisseling.
HR BNB 2023/33toegepast op de Overeenkomst. Het komt mij voor dat deze regel niet is bedoeld voor (verdragsposterieure) uitleggingsmiddelen in de zin van art. 31(3) Verdrag van Wenen, althans, dat dit gelet op de status van verdragsposterieur OESO-commentaar – waar
HR BNB2023/33 over gaat – als aanvullend uitleggingsmiddel in de zin van art. 32 Verdrag Pro van Wenen niet vanzelfsprekend is (6.13). Dit een en ander kan echter niet tot cassatie leiden. De rechter is gehouden zelfstandig een verdragsbepaling uit te leggen (4.17). Het Hof heeft art. 18(2) Verdrag uitgelegd aan de hand van de tekst en context van die bepaling (punt 4.9.4) en de Overeenkomst buiten beschouwing gelaten (punt 4.10). Ik acht dat oordeel juist, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden.
eerste middelfaalt.
tweede middelbestrijdt het oordeel van het Hof dat belastingrente moet worden vergoed over de teruggaven van ingehouden loonbelasting. Tussen partijen is niet in geschil dat het middel terecht is voorgesteld.
tweede middelis terecht voorgesteld. Hieraan kan worden toegevoegd dat het dictum in zoverre incompleet is dat de aanslagen IB/PVV niet zijn verminderd naar nihil. Ik geef de Hoge Raad in overweging dit te herstellen.