De zaak betreft een geschil over de heffing van omzetbelasting op een alcoholhoudend drankje dat tijdens de pauze van een theatervoorstelling werd verstrekt. Belanghebbende, Stichting [X], kreeg een naheffingsaanslag opgelegd over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde eerder over het geschil, maar de Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overwoog dat het verstrekken van het alcoholhoudende drankje niet kan worden gezien als een bijkomende prestatie die het verlaagde tarief voor de toegang tot de voorstelling deelt. Het drankje is belast tegen het algemene omzetbelastingtarief zoals neergelegd in artikel 9, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Hierdoor kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, met inachtneming van de overwegingen in dit arrest. Tevens moet het verwijzingshof de door belanghebbende ingebrachte stelling over het vertrouwensbeginsel beoordelen, die het Hof eerder onbehandeld liet.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe aan de Staatssecretaris omdat het beroep in cassatie gegrond werd verklaard. Het verwijzingshof zal beslissen over eventuele kostenvergoedingen aan belanghebbende voor eerdere procedures.