Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Voor een theatervoorstelling worden uitsluitend bezoekers met een theaterkaartje toegelaten tot het theater. Het is niet mogelijk te kiezen voor een toegangsprijs waarin de verstrekking van een pauzedrankje niet is begrepen.
Bezoekers kunnen voorafgaand aan de voorstelling, tijdens de pauze of na afloop daarvan aan de bar van het inpandige theatercafé een (extra) drankje bestellen tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding.
Volgens artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.1 van Tabel I is de levering van voedingsmiddelen onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief, met dien verstande dat die post bepaalt dat tot voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken. Het tegen vergoeding verstrekken van alcoholhoudende dranken is dus volgens de Wet belast naar het normale tarief.
Volgens de Inspecteur zijn het verlenen van toegang tot een theatervoorstelling en het verstrekken van het pauzedrankje voor de heffing van omzetbelasting twee zelfstandig te onderscheiden prestaties. Omdat alcoholhoudende dranken niet worden gerekend tot de op grond van post a.1 van Tabel I onder het verlaagde tarief te brengen voedingsmiddelen, is het tijdens de pauze van de theatervoorstelling verstrekken van alcoholhoudende dranken volgens de Inspecteur onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Op die grond heeft hij de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van het middel
Ook de vaststelling van het Hof dat de bezoeker in wezen een compleet ‘arrangement’ van een theatervoorstelling inclusief pauzedrankje en garderobekosten koopt, waarbij het pauzedrankje als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek kan worden beschouwd, brengt – gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen – niet met zich dat het pauzedrankje als element van het theaterbezoek onder het verlaagde tarief kan vallen. Dit een en ander betekent dat de hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordelen van het Hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.