ECLI:NL:HR:2026:408
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslagen omzetbelasting over verstrekte drank tijdens theatervoorstelling
De zaak betreft een geschil over de omzetbelasting die is geheven over de toegangsprijs van een theatervoorstelling, inclusief een tijdens de pauze verstrekt alcoholhoudend drankje. De Staatssecretaris van Financiën had naheffingsaanslagen opgelegd aan Stichting [X] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018. Belanghebbende stelde dat de drank geen zelfstandige prestatie vormde en betwistte de aanslagen.
Het Gerechtshof Amsterdam had in hoger beroep de naheffingsaanslagen vernietigd, maar de Hoge Raad stelde in cassatie vast dat de verstrekking van het alcoholhoudende drankje als een zelfstandige prestatie moet worden beschouwd en belast is tegen het algemene omzetbelastingtarief. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2026:280) voor de motivering.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland dat de naheffingsaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente terecht zijn opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen omzetbelasting over de verstrekking van het alcoholhoudende drankje tijdens de theatervoorstelling zijn terecht opgelegd.