Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:408

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/00262
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet OBposten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslagen omzetbelasting over verstrekte drank tijdens theatervoorstelling

De zaak betreft een geschil over de omzetbelasting die is geheven over de toegangsprijs van een theatervoorstelling, inclusief een tijdens de pauze verstrekt alcoholhoudend drankje. De Staatssecretaris van Financiën had naheffingsaanslagen opgelegd aan Stichting [X] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018. Belanghebbende stelde dat de drank geen zelfstandige prestatie vormde en betwistte de aanslagen.

Het Gerechtshof Amsterdam had in hoger beroep de naheffingsaanslagen vernietigd, maar de Hoge Raad stelde in cassatie vast dat de verstrekking van het alcoholhoudende drankje als een zelfstandige prestatie moet worden beschouwd en belast is tegen het algemene omzetbelastingtarief. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2026:280) voor de motivering.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland dat de naheffingsaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente terecht zijn opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De naheffingsaanslagen omzetbelasting over de verstrekking van het alcoholhoudende drankje tijdens de theatervoorstelling zijn terecht opgelegd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00262
Datum13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2023, nrs. 23/399 en 23/400 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 21/2094 en HAA 21/2095) betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het heden uitgesproken arrest met nummer 23/04337, ECLI:NL:HR:2026:280, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De in geding zijnde naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd en dat geldt ook voor de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente zoals door de Rechtbank nader vastgesteld. De uitspraak van de Rechtbank zal worden bevestigd.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.