ECLI:NL:HR:2026:416

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/01524
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens formele tekortkomingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het ingediende beroepschrift voldeed echter niet aan de formele vereisten: het was niet ondertekend en bevatte geen gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende bij brief van 15 januari 2026 de mogelijkheid om deze tekortkomingen te herstellen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

Belanghebbende reageerde weliswaar op deze brief, maar herstelde de tekortkomingen niet. De Hoge Raad besloot daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest werd op 13 maart 2026 uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen vanwege niet-naleving van de formele vereisten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet herstellen van formele tekortkomingen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01524
Datum13 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 januari 2024, nr. SGR 22/5048 V.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen. [1]

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft schriftelijk beroep in cassatie ingesteld. Het door belanghebbende ingediende beroepschrift in cassatie is niet ondertekend en bevat niet de gronden van het beroep. Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de verzuimen zullen worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder de verzuimen te herstellen.
De Hoge Raad zal daarom met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.