ECLI:NL:HR:2026:454

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/03918
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt zorgmachtiging wegens gebrekkige medische verklaring

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag beroep in cassatie ingesteld nadat de rechtbank een zorgmachtiging voor zes weken had verleend, terwijl de officier van justitie een machtiging voor zes maanden had verzocht. De rechtbank had de machtiging toegekend ondanks een gebrekkige medische verklaring, omdat betrokkene niet persoonlijk was onderzocht en slechts één poging was gedaan om hem te spreken.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geen zorgmachtiging mag worden verleend als de medische verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. De rechtbank had de machtiging niet mogen verlenen, ook niet voor een kortere periode dan verzocht.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025. De overige klachten worden niet behandeld.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het verzoek tot zorgmachtiging af wegens een gebrekkige medische verklaring.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/03918
Datum20 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.A.M. Wagemakers,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/689728 / FA RK 25-5971 van de rechtbank Den Haag van 10 september 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 september 2025, en afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
De officier van justitie heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verzocht voor de duur van zes maanden.
2.2
Betrokkene was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig.
2.3
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes weken, van 10 september tot en met 22 oktober 2025. De rechtbank heeft onder meer overwogen:
“Door de advocaat is ter zitting naar voren gebracht dat niet vastgesteld is dat betrokkene afstand doet van het recht om gehoord te worden. Daarnaast is de medische verklaring onvoldoende zorgvuldig opgesteld, omdat betrokkene niet in persoon is beoordeeld. (…)
De rechtbank erkent een gebrek in de medische verklaring, nu slechts één aangekondigde poging is gedaan om betrokkene te spreken. Uit de toelichting van de psychiater blijkt echter dat het niet te verwachten is dat het alsnog zal lukken betrokkene te spreken. Gelet op het ernstig nadeel acht de rechtbank het noodzakelijk dat voor een korte periode een zorgmachtiging wordt verleend. Rekening houdend met het geconstateerde gebrek wordt de machtiging toegewezen voor de duur van zes weken, zodat betrokkene alsnog in persoon kan worden onderzocht en de noodzakelijke zorg kan worden geboden.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 2.2 van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de zorgmachtiging op basis van de gebrekkige medische verklaring wordt verleend. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene niet is gezien of gesproken, terwijl de psychiater niet heeft verantwoord waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord is, voor welk alternatief hij heeft gekozen, en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan, aldus het onderdeel.
3.2
Deze klacht slaagt. Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro en art. 6:4 Wvggz Pro, volgt, mede gelet op art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, dat geen zorgmachtiging mag worden verleend, ook niet voor een deel van de door de officier van justitie verzochte periode, indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen. [1] Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de medische verklaring een gebrek bevat, kennelijk op de grond dat de psychiater de betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht en daartoe evenmin voldoende pogingen heeft gedaan, [2] had de rechtbank de zorgmachtiging niet mogen verlenen, ook niet voor een kortere periode dan de officier van justitie heeft verzocht.
3.3
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025 af te wijzen.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen onbehandeld blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 september 2025;
- wijst af het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
20 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. o.a. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1809, rov. 3.6 en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1546, rov. 3.1.2.
2.Vgl. voor de toepasselijke maatstaf o.a. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789, rov. 3.3.