Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 maart 2026.
Hoge Raad
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag beroep in cassatie ingesteld nadat de rechtbank een zorgmachtiging voor zes weken had verleend, terwijl de officier van justitie een machtiging voor zes maanden had verzocht. De rechtbank had de machtiging toegekend ondanks een gebrekkige medische verklaring, omdat betrokkene niet persoonlijk was onderzocht en slechts één poging was gedaan om hem te spreken.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geen zorgmachtiging mag worden verleend als de medische verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. De rechtbank had de machtiging niet mogen verlenen, ook niet voor een kortere periode dan verzocht.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025. De overige klachten worden niet behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het verzoek tot zorgmachtiging af wegens een gebrekkige medische verklaring.