Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.M.E. Nuyens en D.J. Franssen, advocaten. Bij die gelegenheid is middel III ingetrokken.
2.Uitgangspunten in cassatie
De levering van de aandelen heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014.
3.De oordelen van het Hof
Voor die vaststelling kan volgens het Hof van belang zijn de relatie van belanghebbende met haar broer, die de enige bestuurder en tevens de enige andere aandeelhouder van de BV is. Door de trustvraag niet te beantwoorden heeft belanghebbende de Inspecteur een mogelijkheid ontnomen volledig inzicht te krijgen in het inkomen van belanghebbende, in (wijzigingen van) haar vermogen (die zouden kunnen duiden op een compensatie voor een te lage inkoopprijs van de aandelen) en in de financiële relatie van belanghebbende met haar broer, zoals de omstandigheid dat hij settlor was van de familietrust, waarvan hij en belanghebbende beneficiaries waren, aldus nog steeds het Hof.
(i) met het oog op de inkoop is geen taxatie van de aandelen en de onderliggende activa verricht,
(ii) een schriftelijke vastlegging van de wijze van totstandkoming van de inkoopprijs en de onderhandeling daarover ontbreekt,
(iii) de inkoop is in feite een transactie tussen zus en broer,
(iv) het aanmerkelijk belang in de BV is slechts één van de financiële banden tussen belanghebbende en haar broer, waartoe ook het – aanvankelijk verzwegen – buitenlandse familievermogen kan worden gerekend, en
(v) de inkoopprijs is aanzienlijk lager dan de intrinsieke waarde van de aandelen en belanghebbende heeft voor dit verschil geen afdoende verklaring gegeven. Op grond van deze omstandigheden is het Hof tot het oordeel gekomen dat aannemelijk is dat de tegenprestatie voor de ingekochte aandelen is overeengekomen met het oog op kunstmatige verkleining van winsten in een transactie tussen – in feite – familieleden en in dat licht is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. Artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt dat in een dergelijk geval de waarde van de aandelen in het economische verkeer als inkoopprijs dient te worden aangemerkt, aldus het Hof.
4.Beoordeling van de middelen
Uit de uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding blijkt dat die stelling ook voor het Hof is aangevoerd. Anders dan het middel betoogt, volgt de juistheid van die stelling ook niet onmiskenbaar uit de koopovereenkomst. De beoordeling van de juistheid van die stelling vergt daarom een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
Uit de uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding blijkt dat dit betoog ook voor het Hof is gehouden. Aangezien de beoordeling van dat betoog een onderzoek van feitelijke aard vergt en de cassatieprocedure daarvoor geen mogelijkheid biedt, kan het middel reeds daarom niet tot cassatie leiden.
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel V faalt daarom.
Het oordeel dat belanghebbende bij de inkoop van de aandelen beoogde haar broer te bevoordelen, geeft niet blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in 4.3.3 is overwogen. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Middel II faalt.