ECLI:NL:HR:2026:518

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
23/03385
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.22 Wet IB 2001Art. 27e AWRArt. 4.6 Wet IB 2001Art. 20c lid 4 Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing omkering bewijslast bij niet normale aandeleninkoop binnen familie

Belanghebbende had in 2014 haar aandelen in een BV, waarin zij samen met haar broer een aanmerkelijk belang hield, verkocht aan diezelfde BV tegen een prijs die aanzienlijk lager was dan de economische waarde. De Inspecteur stelde dat de koopovereenkomst niet onder normale omstandigheden was gesloten en stelde de waarde van de aandelen in het economische verkeer vast, wat leidde tot een hogere winst uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende had in haar aangifte niet de vereiste trustvraag beantwoord, terwijl zij begunstigde was van een buitenlandse familietrust.

Het Hof oordeelde dat de omkering en verzwaring van de bewijslast terecht werd toegepast vanwege het niet beantwoorden van de trustvraag en de omstandigheden van de transactie, waaronder het ontbreken van een taxatie en schriftelijke onderhandeling, de familierelatie en het verschil tussen inkoopprijs en intrinsieke waarde. Het Hof verwierp het verweer dat er geen bevoordelingsoogmerk was, en stelde dat de waarde in het economische verkeer een redelijke schatting was.

De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst erop dat het arrest van 25 juni 2004 ook voor de huidige wetgeving geldt. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet onjuist heeft geoordeeld over het bevoordelingsoogmerk en dat de cassatieprocedure niet geschikt is voor feitelijke beoordeling van sommige middelen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03385
Datum27 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2023, nr. 21/01652 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, (nr. HAA 19/4705) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.J.M.E. de Bont, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.M.E. Nuyens en D.J. Franssen, advocaten. Bij die gelegenheid is middel III ingetrokken.
1.2
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende hield in het onderhavige jaar (2014) tezamen met haar broer alle aandelen in een besloten vennootschap (hierna: de BV). De broer bezat de meerderheid van die aandelen; hij was tevens de enige bestuurder van de BV. Voor ieder van hen vormde het aandelenbezit een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001.
2.2
Op 31 augustus 2012 had belanghebbende een vordering op de BV van € 3.972.912.
2.3
Op 13 september 2012 heeft belanghebbende schriftelijk een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten met de BV, waarin onder meer is bepaald (i) dat de BV alle door belanghebbende gehouden aandelen in de BV (hierna: de aandelen) inkoopt voor een prijs van € 1.500.000, (ii) dat belanghebbende de aandelen uiterlijk op 31 januari 2014 aan de BV levert, en (iii) dat de BV haar hiervoor in 2.2 vermelde schuld aan belanghebbende uiterlijk op 31 december 2012 zal aflossen.
De levering van de aandelen heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014.
2.4
Belanghebbende was, evenals onder anderen haar broer, begunstigde (‘beneficiary’) van een in 2009 opgerichte, buitenlandse familietrust (hierna: de familietrust), waarvan de broer de ‘settlor’ was. De familietrust is op 21 december 2015 beëindigd. In juni 2019 heeft belanghebbende een inkeerverzoek gedaan ter zake van in het buitenland aangehouden familievermogen dat nimmer is aangegeven. Dat vermogen wordt door de Inspecteur geschat op € 40 à € 50 miljoen.
2.5
In haar aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2014 (hierna: de aangifte) heeft belanghebbende de zogenoemde trustvraag niet (met ‘ja’) beantwoord. In de aangifte heeft zij ter zake van de hiervoor in 2.3 bedoelde inkoop een voordeel uit aanmerkelijk belang vermeld ter grootte van het verschil tussen de in de koopovereenkomst vermelde inkoopprijs van de aandelen (€ 1.500.000) en de verkrijgingsprijs daarvan (€ 10.008).
2.6
Bij het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2014 heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de koopovereenkomst niet onder normale omstandigheden is gesloten en dat daarom op grond van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 voor de berekening van het voordeel uit aanmerkelijk belang als tegenprestatie voor de aandelen moet worden aangemerkt de waarde in het economische verkeer daarvan. Hij heeft die waarde bepaald op € 5.826.460 en de winst uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 5.816.452, welk bedrag bij uitspraak op bezwaar is verminderd tot € 5.572.702.

3.De oordelen van het Hof

3.1.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur zich terecht heeft beroepen op de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e AWR, omdat belanghebbende voor het jaar 2014 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Aan dit oordeel heeft het Hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
3.1.2 Naar het oordeel van het Hof staat vast dat belanghebbende in de aangifte de trustvraag niet met ‘ja’ heeft beantwoord, terwijl zij dat vanwege haar betrokkenheid bij de familietrust wel had moeten doen.
3.1.3 Volgens het Hof is de trustvraag van voldoende gewicht om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in het onderhavige geval te rechtvaardigen. In het algemeen is die vraag van belang omdat deze de inspecteur in staat stelt op het spoor te komen van het bestaan van een in die vraag bedoelde entiteit (trust of doelvermogen) en van daarmee verband houdende vermogens of inkomsten van belastingplichtigen, aldus het Hof.
3.1.4 Verder is volgens het Hof het antwoord op de trustvraag van belang voor het geschil dat belanghebbende en de Inspecteur verdeeld houdt, te weten de omvang van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang. Vanwege het betoog van de Inspecteur dat artikel 4.22 Wet IB 2001 van toepassing is omdat de tegenprestatie bij de inkoop van de aandelen is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, is het van belang vast te stellen onder welke (rechtens relevante) omstandigheden die tegenprestatie is bedongen, aldus het Hof.
Voor die vaststelling kan volgens het Hof van belang zijn de relatie van belanghebbende met haar broer, die de enige bestuurder en tevens de enige andere aandeelhouder van de BV is. Door de trustvraag niet te beantwoorden heeft belanghebbende de Inspecteur een mogelijkheid ontnomen volledig inzicht te krijgen in het inkomen van belanghebbende, in (wijzigingen van) haar vermogen (die zouden kunnen duiden op een compensatie voor een te lage inkoopprijs van de aandelen) en in de financiële relatie van belanghebbende met haar broer, zoals de omstandigheid dat hij settlor was van de familietrust, waarvan hij en belanghebbende beneficiaries waren, aldus nog steeds het Hof.
3.1.5 Het Hof heeft aan zijn hiervoor in 3.1.4 weergegeven oordelen de gevolgtrekking verbonden dat het beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
3.2.1 Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Inspecteur ten onrechte artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 heeft toegepast, omdat bij de inkoop van de aandelen een bevoordelingsoogmerk ontbrak. Dit oogmerk ontbrak volgens belanghebbende omdat zij in onmin leeft met haar broer. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4383 (hierna: het arrest van 25 juni 2004), volgt dat zonder zo’n oogmerk niet kan worden aangenomen dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als bedoeld in voormelde bepaling, aldus belanghebbende.
3.2.2 Het Hof heeft dit standpunt van belanghebbende verworpen. Het Hof heeft de volgende aanwijzingen gevonden voor de juistheid van de stelling van de Inspecteur dat de koopovereenkomst niet onder normale omstandigheden is gesloten:
(i) met het oog op de inkoop is geen taxatie van de aandelen en de onderliggende activa verricht,
(ii) een schriftelijke vastlegging van de wijze van totstandkoming van de inkoopprijs en de onderhandeling daarover ontbreekt,
(iii) de inkoop is in feite een transactie tussen zus en broer,
(iv) het aanmerkelijk belang in de BV is slechts één van de financiële banden tussen belanghebbende en haar broer, waartoe ook het – aanvankelijk verzwegen – buitenlandse familievermogen kan worden gerekend, en
(v) de inkoopprijs is aanzienlijk lager dan de intrinsieke waarde van de aandelen en belanghebbende heeft voor dit verschil geen afdoende verklaring gegeven. Op grond van deze omstandigheden is het Hof tot het oordeel gekomen dat aannemelijk is dat de tegenprestatie voor de ingekochte aandelen is overeengekomen met het oog op kunstmatige verkleining van winsten in een transactie tussen – in feite – familieleden en in dat licht is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. Artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt dat in een dergelijk geval de waarde van de aandelen in het economische verkeer als inkoopprijs dient te worden aangemerkt, aldus het Hof.
3.2.3 Het voorgaande oordeel wordt niet anders doordat belanghebbende, naar zij stelt en de Inspecteur betwist, in onmin leeft met haar broer en derhalve niet het oogmerk had hem te bevoordelen, wat ook verder van die stelling zij, aldus het Hof. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 25 juni 2004, heeft de Inspecteur in de onderhavige zaak namelijk wel degelijk gesteld dat een verrekening als bedoeld in rechtsoverweging 3.4 van dat arrest kan hebben plaatsgevonden.
3.3.1 Het Hof is vervolgens toegekomen aan de beoordeling van de door de Inspecteur vastgestelde waarde in het economische verkeer van de aandelen. Bij toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt, aldus het Hof, dat die waarde, als onderdeel van de aanslag, niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting.
3.3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde die de Inspecteur subsidiair voorstaat – waarbij, anders dan bij de door hem primair voorgestane waarde, rekening is gehouden met een ‘afslag’ van de intrinsieke waarde in verband met de incourantheid van, en de beperkte zeggenschap verbonden aan de aandelen – niet naar willekeur is vastgesteld maar berust op een redelijke schatting. Volgens het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet overtuigend aangetoond dat deze waarde en het daaruit volgende inkomen uit aanmerkelijk belang onjuist is.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Middel I is gericht tegen de vaststelling van het Hof dat de inkoop van de aandelen heeft plaatsgehad op 4 maart 2014. Volgens het middel vond die inkoop plaats in 2012 en had het Hof daarom moeten oordelen dat belanghebbende het met de inkoop van de aandelen behaalde vervreemdingsvoordeel in 2012 heeft genoten.
Uit de uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding blijkt dat die stelling ook voor het Hof is aangevoerd. Anders dan het middel betoogt, volgt de juistheid van die stelling ook niet onmiskenbaar uit de koopovereenkomst. De beoordeling van de juistheid van die stelling vergt daarom een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
4.2.1
De middelen IV en V richten zich tegen de hiervoor in 3.1.2 tot en met 3.1.4 weergegeven oordelen van het Hof.
4.2.2
Middel IV bestrijdt het hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordeel dat belanghebbende vanwege “haar betrokkenheid bij de trust” de trustvraag had moeten beantwoorden, met het betoog dat de in de aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2014 opgenomen trustvraag niet inhield of de belastingplichtige was betrokken bij een trust, maar of de belastingplichtige vermogen had ingebracht in een trust. Volgens het middel was dit laatste niet het geval, en is van het niet doen van de vereiste aangifte daarom geen sprake.
Uit de uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding blijkt dat dit betoog ook voor het Hof is gehouden. Aangezien de beoordeling van dat betoog een onderzoek van feitelijke aard vergt en de cassatieprocedure daarvoor geen mogelijkheid biedt, kan het middel reeds daarom niet tot cassatie leiden.
4.2.3
Middel V bestrijdt de hiervoor in 3.1.3 en 3.1.4 weergegeven oordelen dat het antwoord op de trustvraag van belang is voor het geschil over de omvang van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en dat de trustvraag van voldoende gewicht is om de omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen.
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel V faalt daarom.
4.3.1
Middel II richt zich tegen de hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel, in samenhang gelezen met de schriftelijke toelichting, heeft het Hof miskend dat uit het arrest van 25 juni 2004 voortvloeit dat voor toepassing van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 is vereist dat belanghebbende de bedoeling had om de BV te bevoordelen of dat er een verrekening (compensatie) heeft plaatsgevonden. Gelet hierop had het Hof de juistheid van de hiervoor in 3.2.1 weergegeven stelling van belanghebbende dat het haar bij de inkoop aan een bevoordelingsoogmerk ontbrak niet in het midden mogen laten. Bovendien heeft het Hof met zijn oordeel dat een verrekening als bedoeld in het arrest van 25 juni 2004 kan hebben plaatsgevonden, niet vastgesteld dat zulks is geschied en dat daarmee een te lage aanmerkelijkbelangwinst is aangegeven, aldus het middel.
4.3.2
Artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 is met ingang van 1 januari 2001 in de plaats gekomen van het tot dan geldende artikel 20c, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Een inhoudelijke wijziging is daarbij niet beoogd. [3] Hetgeen is geoordeeld in het arrest van 25 juni 2004 heeft dan ook evenzeer gelding voor de toepassing van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001.
4.3.3
Uit rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 25 juni 2004 volgt dat van een tegenprestatie bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 sprake is bij een kunstmatige verandering van winsten en verliezen door onzakelijke transacties met name tussen familieleden, en dat een dergelijke kunstmatige verandering van winsten en verliezen zich niet voordoet als de verkoper niet beoogt de koper te bevoordelen (of andersom). Alleen bij aanwezigheid van een bevoordelingsoogmerk kan de in aanmerking te nemen tegenprestatie dus op de voet van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 worden gesteld op de waarde die ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan de desbetreffende aandelen kan worden toegekend.
4.3.4
Het Hof heeft geoordeeld dat de tegenprestatie voor de ingekochte aandelen is overeengekomen met het oog op een kunstmatige verkleining van de aanmerkelijkbelangwinst van belanghebbende, in een transactie tussen – in feite – familieleden en dat de tegenprestatie aldus is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst (zie hiervoor in 3.2.2, laatste alinea). In dit oordeel ligt besloten dat belanghebbende bij deze transactie beoogde haar broer te bevoordelen. Anders dan het middel betoogt, brengt de hiervoor in 3.2.3, eerste volzin, weergegeven overweging van het Hof niet mee dat het Hof (alsnog) in het midden heeft gelaten of een bevoordelingsoogmerk aanwezig was. Die overweging moet aldus worden begrepen dat zij ten overvloede is gegeven.
Het oordeel dat belanghebbende bij de inkoop van de aandelen beoogde haar broer te bevoordelen, geeft niet blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in 4.3.3 is overwogen. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Middel II faalt.
4.4
Middel VI, dat is voorgesteld voor het geval dat middel IV of middel V slaagt, behoeft geen behandeling.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Voetnoten

3.Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 211.