ECLI:NL:HR:2026:56

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/02816
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de waardering van een PV-installatie in het kader van de Wet WOZ

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was aangespannen door [X] B.V. tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Ridderkerk. De zaak betreft de waardering van een fotovoltaïsche installatie (PV-installatie) voor de onroerendezaakbelastingen in het jaar 2021. De heffingsambtenaar had de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en een bijbehorende aanslag opgelegd. Het Gerechtshof Den Haag had in hoger beroep geoordeeld dat de PV-installatie als een gebouwd eigendom moest worden aangemerkt, waardoor de werktuigenuitzondering niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd eigendom kan worden aangemerkt, omdat deze naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht geen betekenis heeft gehecht aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond, aangezien de PV-installatie als een afzonderlijk WOZ-object wordt beschouwd. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en legde geen proceskosten op.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02816
Datum16 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE RIDDERKERK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 juni 2024, nr. BK-23/884 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 22/4035) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 25 april 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is met de eigenaar van een distributiecentrum een huurovereenkomst aangegaan voor het huren van het dak van het distributiecentrum. In aanvulling op de huurovereenkomst heeft de eigenaar ten behoeve van belanghebbende een recht van opstal gevestigd (een huuraanvullend opstalrecht). Belanghebbende exploiteert voor eigen rekening en risico op het dak van het distributiecentrum een fotovoltaïsche installatie, bedoeld om zonlicht om te zetten in energie (hierna: de PV-installatie).
2.2
De PV-installatie bestaat uit zonnepanelen met de bijbehorende omvormers, bekabeling, leidingen, draagstructuren, digitale nieters, zekeringen, schakelmateriaal en meetbord, verlichtings- en monitoringinstallatie, verbinding met de telefoonlijn of internetverbinding, de volledige verbinding naar het distributienetwerk, het toegangspunt naar het distributienetwerk, alsook alle andere goederen en constructies met betrekking tot het voorgaande. De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden.
2.3
De heffingsambtenaar van de gemeente Ridderkerk (hierna: de heffingsambtenaar) heeft de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking de waarde van die onroerende zaak voor het belastingjaar 2021 vastgesteld en daarmee samenhangend een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 aan belanghebbende opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar is de WOZ-waarde op een lager bedrag vastgesteld.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de PV-installatie te hoog is vastgesteld. Het geschil spitste zich toe op de omvang van de werktuigenuitzondering als bedoeld in artikel 18, lid 4, van de Wet WOZ, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, aanhef en letter e, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de werktuigenuitzondering). Meer specifiek was in geschil of ook de zonnepanelen en het onderstel – en daarmee de gehele PV-installatie – onder de werktuigenuitzondering vallen.
3.2
Het Hof heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de PV-installatie moet worden aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ.
3.3
Het Hof heeft overwogen dat van een gebouwd eigendom – waarop de werktuigenuitzondering niet van toepassing is – niet alleen sprake is bij gebouwen, maar ook bij werken die naar aard en inrichting zijn bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Die bedoeling moet blijken uit de bijzonderheden van de aard en inrichting van het bouwwerk. Hierbij is niet van belang of technisch de mogelijkheid bestaat het gebouw of het werk te verplaatsen, aldus het Hof.
3.4
Naar het oordeel van het Hof is de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd eigendom aan te merken omdat deze naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij is volgens het Hof van belang dat de PV-installatie een complexe technische samenstelling is en dat de zonnepanelen en het onderstel zijn verzwaard zodat de PV-installatie niet los van het dak kan komen. Verder is ten gunste van belanghebbende een huuraanvullend opstalrecht gevestigd voor de duur van twintig jaar, met de mogelijkheid van een eenzijdige verlenging door belanghebbende met tien jaar. Ten slotte heeft de eigenaar van het distributiecentrum aan het einde van de looptijd van het opstalrecht de mogelijkheid de PV-installatie om niet te verkrijgen. Dit een en ander brengt mee dat de werktuigenuitzondering niet van toepassing is op de gehele PV-installatie, aldus het Hof.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof. Het voert aan dat het Hof voor de beoordeling van de vraag of de PV-installatie op zichzelf een gebouwd eigendom is, ten onrechte alleen heeft beoordeeld of de PV-installatie is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Het middel betoogt in dat verband dat als gevolg van de vestiging van het opstalrecht een separaat WOZ-object is ontstaan, bestaande uit dat opstalrecht, en dat de PV-installatie daarvan een onderdeel vormt. Het Hof had daarom volgens het middel moeten beoordelen of de zonnepanelen als onderdeel van het WOZ-object, zijnde het opstalrecht, zelfstandigheid in bouwkundig opzicht hebben en daarmee direct of indirect zijn verenigd met de grond.
4.2.1
Naar het Hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld, is niet in geschil dat de PV-installatie moet worden aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ (zie hiervoor in 3.2). Het Hof is daarom terecht ervan uitgegaan dat de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object is. Anders dan het middel betoogt, kan een opstalrecht niet worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ, ook niet in combinatie met de onroerende zaak of zaken waarop dat recht betrekking heeft. Het Hof heeft daarom terecht beoordeeld of de PV-installatie op zichzelf een gebouwd eigendom is.
4.2.2
Bij de beantwoording van de vraag of de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd eigendom is aan te merken, is het Hof kennelijk – en in cassatie eveneens onbestreden – ervan uitgegaan dat deze installatie een werk is in de zin van artikel 3:3 BW. Het heeft vervolgens de juiste maatstaf gehanteerd, namelijk of de installatie naar haar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. [3] Het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof dat de installatie aan die bestemmingseis voldoet, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is naar behoren gemotiveerd.
4.2.3
Het Hof heeft terecht niet onderzocht of de PV-installatie bovendien zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft. Dat criterium, dat is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR7057, [4] is alleen van belang indien het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf als een gebouwd eigendom is aan te merken. Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object vormt. Dit brengt mee dat de PV-installatie geen onderdeel is van een zodanig object.
4.2.4
Het Hof heeft verder voor de beoordeling of de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd is eigendom is aan te merken, terecht geen betekenis toegekend aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond.
4.2.5
Het middel faalt daarom.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.

Voetnoten

3.Vgl. HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5590, rechtsoverweging 5.6.
4.Vgl. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR7057, rechtsoverweging 3.3.2.