ECLI:NL:HR:2026:56
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over de waardering van een PV-installatie in het kader van de Wet WOZ
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was aangespannen door [X] B.V. tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Ridderkerk. De zaak betreft de waardering van een fotovoltaïsche installatie (PV-installatie) voor de onroerendezaakbelastingen in het jaar 2021. De heffingsambtenaar had de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en een bijbehorende aanslag opgelegd. Het Gerechtshof Den Haag had in hoger beroep geoordeeld dat de PV-installatie als een gebouwd eigendom moest worden aangemerkt, waardoor de werktuigenuitzondering niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd eigendom kan worden aangemerkt, omdat deze naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht geen betekenis heeft gehecht aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond, aangezien de PV-installatie als een afzonderlijk WOZ-object wordt beschouwd. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en legde geen proceskosten op.