Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
- de verlichting van zijn, verdachtes, voertuig te doven,
- meermalen met een snelheid van ongeveer (tenminste) 80 en 90 en 120 km/h, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 30 of 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, te rijden,
- meermalen rakelings langs geparkeerde voertuigen en een boom en een schutting te rijden,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 40 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad te rijden,
- niet te remmen bij kruispunten waar hij, verdachte, onvoldoende zicht had op het overige verkeer,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een trottoirpaal aan te rijden,
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, door een park te rijden waar zich voetgangers bevonden, en/of
- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een appartementencomplex te rijden
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.”
Het hof dient te beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (I) de verkeersregels heeft geschonden, (II) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (III) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (IV) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Met andere woorden; vastgesteld dient te worden dat de verdachte verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, of nog anders gezegd: dat de verdachte welbewust en met groot gevaar voor andere medeweggebruikers in ernstige mate verkeersgedragsregels heeft overtreden.
(...)
(...)
(...)
Blijkens de Memorie van Toelichting is opzet “gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen”. Het hof zal zich dan ook beperken tot de vraag of het opzet van de verdachte gericht was op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
(Vgl. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:344.)
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
7 april 2026.